Een kipje heeft ruimte nodig

Kipjes ophokken, zeker als het verblijf druk wordt, levert de nodige problemen op - onrustig gekakel en moord. De oplossing? De meeste kipjes worden soep.

Wat wil een kip? Een kip wil eten. En als zij genoeg gegeten heeft, zit ze bij voorkeur op een lage tak in een boom. En een kip wil zon. Is er op de tak maar een streep zonlicht dan zit de kip in de streep en niet in de schaduw.

Een kip wil water. Ze kunnen er niet om vragen denk je, maar dat kunnen ze wel. Ze maken een geluidje dat me er aan herinnert dat ik vers water moet brengen.

Als je haast hebt, onderzoek je snel. Het kan ook langzaam, in tien jaar. Dan weet je hetzelfde als Wageningen. In Wageningen zag ik ooit op een beeldscherm een tevreden kip. Niet de kip zelf maar haar geluid. Niet haar geluid zelf maar het geluid uitgelegd in een fijnlijnige golven en kleurige blokjes. Ook een kip met de pest in was in grafieken en kleurtjes gevangen.

Als we weten hoe een tevreden kip klinkt en hoe een klaagkont, en als we de nuanceverschillen kennen tussen het geluid van goede luim en slecht humeur, dan kunnen we in een kippenhok, een bio-industriële loods of op een erf vaststellen of de beesten het naar hun zin hebben en hoezeer, zei de diergedragswetenschappelijk onderzoeker.

Een toppunt van genoegen is een stofbad. In een proefopstelling - ruime kooi - klaagt de kip die geen stofbad heeft. Geef hem een zandbakje en het schraperige geluid uit het kippenstrotje zal op slag veranderen.

Voor wie al lang kippen heeft, is dat geen verrassing. Je leert de geluiden kennen. Ik herken zelfs de waarschuwing van de haan voor een rat. Dat klinkt anders dan als hij waarschuwt voor een kat op het erf.

En regen. Kippen kankeren nog erger over het weer dan kooplui op een natte dagmarkt. Als het sneeuwt, zijn ze hoorbaar diep beledigd.

Na jaren luisteren naar de kippen denk ik te kunnen horen in welke stemming ze verkeren. En dus dacht ik ook het verdriet te kunnen verstaan van kippen in een legbatterij. Ik had van een legbatterij alleen iets op tv gezien, het enige beeld dat de tv in archief heeft, van een kip die zijn kop door een traliewerk steekt om voer te pikken. Ik was nooit zelf in zo'n eierenleggerij geweest. Tot voor kort.

Op de Veluwe raakte ik verzeild in een enorm complex kippenflats, elke flat acht verdiepingen hoog. Kippen met vijf samen in ruime kooien. Voor zich het voer. Achter zich een gat waar de eieren door verdwijnen. Onder zich een rooster.

Niet prettig.

Niet prettig? Maar luister dan. Een paar uur liep ik er rond en ik kon geen kip betrappen op een klaaglied. Tevreden waren ze, zo te horen.

Veel minder huiselijk klinkt het in scharrelschuren waar duizenden kippen elkaar voortdurend in de weg zitten. Ze maken elkaar af als het even kan.

Dat moet niet, dacht ik, toen het moest van de regering. Ophokplicht. Dan doe ik het zelf wel, afmaken. Veertien heb ik er geslacht. Er waren er bij van tien jaar oud. Soep.

Negentien kippen in een te klein hok, dat wordt gruwelijk. Kippen houden niet van elkaar. Ze gebruiken elkaars warmte 's nachts op stok, stijf tegen elkaar aan, maar overdag moeten ze elkaar niet. Met maar vijf in het hok kunnen ze elkaar ontlopen. Dan maar vijf.

Met dit koppeltje klonk het meteen al goed en toen ik over een geïmproviseerd rennetje een oranje zeil had uitgevouwen was daar opeens het geluid van genieten. Een oranje kampeertent vinden ze geweldig. Ze klinken of de zon schijnt.

Maar nou die van buurman. Die heeft ze nog los. Wel duizend. Hij heeft eenden, ganzen, reigers, waterhoentjes, zwanen en fazanten. Geen trekvogels, maar luie blijvers.

Elke ochtend komen een paar van buurmans ganzen en eenden over de sloot mijn erf op. Kijken of ik kippenvoer gemorst heb. Ik vraag me af of buurman op de hoogte is van de ophokverplichting. Ik zou hem kunnen bellen. Alleen, ik weet hoe hij heet, maar hij staat niet in het telefoonboek van Castricum. Hij heet Staatsbosbeheer.