Dichters in Carré zonder wijn of tumult

Theater Carré was gisteravond weer even het domein van dichters - net als op tijdens een legendarische sessie van 27 februari 1966, precies veertig jaar geleden.

Er stond toevallig geen voorstelling gepland. Het decor van de musical Cabaret was er nog wel, met tafeltjes in nachtclubsfeer. En het was een maandagavond - precies als tijdens de 'happening' Poëzie in Carré 1966, door dichter Simon Vinkenoog georganiseerd.

Meer Poëzie in Carré 2006 opende gisteravond met archiefbeelden van Vinkenoogs optreden toen. Met gejaagde stem zag en hoorde je hem het hekeldicht Nederland voordragen. Meteen daarop betrad de dichter live het podium, een meterslange rode sjaal gedrapeerd om de smalle schouders. Onverdroten zette hij het vers voort: 'Nederland, waarom stuur je je generaals niet met pensioen,/ die de vorige oorlog nog moeten winnen?' In veertig jaar is zijn stem nauwelijks veranderd. Heden en verleden mengen zich.

Naarmate de de datum van de reprise Poëzie in Carré 27 februari 2006 naderde, werd de versie van 1966 legendarischer. De eenmalige herhaling is een initiatief van de Poëzieclub en het poëzietijdschrift Awater. Maar de aanduiding 'reprise' deed de avond geen recht. Toen waren er bij voorbeeld helemaal geen dichteressen, nu leverden zij juist een fiks aandeel.

In 1966 was het openingsbeeld bijna surrealistisch: vijfentwintig dichters zaten achter een witgedekte tafel. Naast elk bord had Vinkenoog stiekem drie stickies gelegd. Roland Holst en Reve lazen voor, en er was de overweldigende act van Johnny the Selfkicker (later Johnny van Doorn) voor een woedend publiek.

Wijn, pretsigaretjes en tumult ontbraken gisteravond in Carré, in een door Joost Zwagerman en Ruben van Gogh strak geleide avond. De vrijwel uitverkochte zaal betoonde eerbied aan de dichters, zoals de dichters eerbied schonken aan hun vaak mooie, dan weer te afstandelijke of ook keurige kleine scheppingen van taal.

Bedeesd was daarbij het sleutelwoord. Maar een gedicht op het podium moet door voordracht en taalkracht fonkelen, schitteren, er moet iets op het spel staan. Bij de vijfde dichter H.H. ter Balkt begon Carré te sidderen. Met barse stem liet hij weten dat dichters 'de ex-vernietigers van hemel en aarde' zijn. Kort daarop won een geconcentreerde Pieter Boskma de zaal voor zich met scherp gesneden verzen vol emotie. Eva Gerlach droeg haar tedere, eenzame verzen uit het hoofd voor. Ingmar Heytze sloeg een andere koers in: hij verbond op meeslepende wijze de snelheid van een motorrijder die over het asfalt suist met razendsnelle poëzie. Daarna joeg Gerrit Komrij huiver door de zaal, door liefde als 'schurft op eczeem' te beschrijven. En een felle, polemische Tom Lanoye wil nooit meer 'gedichten over gedichten' horen.

Bij het voorlezen valt poëzie die graag poëtisch wil zijn snel door de mand. Dichteres Tjitske Jansen heeft daar geen last van, evenmin als Ilja Leonard Pfeijffer, Rob Schouten en Leonard Nolens. De weerbarstige Schouten stond in prachtig contrast tot de geëmotioneerde, wat schuwe Nolens. En het absurde, verhalende gedicht van Jansen - over een vrouw die uit liefdesverdriet het dak van haar beminde beklimt - is weergaloos. Hier komen we voor. De dichterlijke blik en stem zetten liefde en alles wat daarbij komt kijken op scherp. Pfeijffer laat in zijn turbulente voordracht horen dat geluk zonder zichtbare aanleiding kan omslaan in wanhoop.

In dichters als Hans Verhagen en Jules Deelder, toen debutant, zette zich het verleden voort. Ze waren er weer, anders, niet minder boeiend. Menno Wigman liet na elk gedicht het vel papier op de grond dwarrelen, net als Reve in 1966. Met dit ogenschijnlijk simpele gebaar bewijst Wigman dat hij in een belangrijke Nederlandse traditie staat: die van het beeldrijke, taalvirtuoze vers.

Misschien is deze avond over veertig jaar ook legendarisch, maar 1966 werd niet geëvenaard. Toen waren openbaar optredende dichters een zeldzaamheid. Misschien dat Poëzie in Carré 2006 daarom niet de gehoopte, verbluffende allure bood.