Genocide-klacht tegen Servië voor Gerechtshof

Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag behandelt vanaf vandaag de aanklacht wegens genocide die Bosnië heeft ingediend tegen de unie Servië en Montenegro.

De klacht werd in maart 1993 tegen het toenmalige Joegoslavië ingediend door de Bosnische regering, die stelde dat Joegoslavische strijdkrachten verantwoordelijk waren voor genocide jegens deBosnische moslims. De klacht werd ingediend vóór de massamoord op ruim achtduizend moslim-mannen in Srebrenica, in juli 1995. De Bosnische klacht bevat ook zonder 'Srebrenica' een lange en gedetailleerde lijst van bloedbaden jegens burgers, verkrachtingen, gevallen van bewuste vernietiging van moskeeën en de vestiging van wat de Bosniërs omschrijven als 'uitroeiingskampen'.

Enkele weken nadat Bosnië de klacht in Den Haag had gedeponeerd, gaf het Internationaal Gerechtshof 'Joegoslavië en zijn agenten' opdracht onmiddellijk op te houden met de politiek van 'etnische zuivering' in Bosnië. Dat gebeurde echter niet, met het bloedbad van Srebrenica in juli 1995 als absoluut dieptepunt. Het Joegoslavië-tribunaal heeft al vastgesteld dat het in Srebrenica om genocide ging.

Als de unie Servië en Montenegro, de 'opvolgerstaat' van het vroegere Joegoslavië, wordt veroordeeld, zal het het eerste land zijn waartegen een dergelijk vonnis wordt uitgesproken; tot dusverre zijn alleen individuen - generaals en politici (Bosnische Serviërs en Rwandezen) - wegens genocide veroordeeld.

De Bosniërs zullen moeten aantonen dat de genocide in Bosnië niet is gepleegd door groepen individuen, maar dat de Servische staat de bedoeling had de moslims als gemeenschap uit te roeien. In het geval van een veroordeling kan de straf een boete zijn van - zo schatten deskundigen - honderd miljard dollar, al wordt in Bosnië ook aan een politieke straf gedacht - zoals de opheffing van de Servische Republiek in Bosnië. De uitspraak is bindend; een weigering die straf te ondergaan kan worden voorgelegd aan de Veiligheidsraad van de VN.

Het juridische team van de unie wil een aantal Servische politici uit de tijd van de Bosnische oorlog (1992-1995) als getuigen naar voren schuiven, zoals de oud-voorzitter van het parlement, Dragoljub Micunovic, en oud-minister van Binnenlandse Zaken Dusan Mihajlovic, evenals de toenmalige bevelhebber van UNPROFOR, de VN-vredesmacht in Bosnië, de Britse generaal Michael Rose. De Bosniërs hebben hun lijst van getuigen nog niet openbaar gemaakt.

Naar verwachting zal het horen van de argumenten van beide partijen zes weken duren; de uitspraak van de zestien rechters wordt over ongeveer een jaar verwacht.

Overigens heeft ook Kroatië bij het Internationaal Gerechtshof een klacht wegens genocide tegen de unie Servië en Montenegro ingediend.