Wingewest aan een wilde kust

Universiteitsbibliotheek Amsterdam, Singel 425. Tentoonstelling 'verhalen van de wilde kust', topstukken uit de Suriname-collectie van de UB, van 25 januari tot 26 april.

Dirk Vlasblom

De eerste verslagen stonden vol wilde geruchten. Walter Raleigh, een Britse zeevaarder, kaper en schrijver, zeilde in 1595 naar de moerassige mangrovekust tussen de Orinoco en de Surinamerivier om de Spanjaarden de voet dwars te zetten. Van een Spaanse soldaat hoorde hij de indiaanse mythe van El Dorado. Aan een goudmeer zou 'de Vergulde' heersen over een stad met gouden daken. Raleigh voer de Orinoco op om een Brits bruggenhoofd te vestigen en legde contacten met indiaanse hoofden. Goud hadden zij niet. Op de terugreis tekende hij zijn wederwaardigheden op, een mengeling van feiten en fictie. De cartograaf Jodocus Hondius, een naar Amsterdam gevluchte Vlaming, las het boek. Hij tekende een kaart van deze 'Wilde Kust van de Guyana's' en van het nog onbekende achterland, dat hij inkleurde met Raleigh's fantasieën.

Het reisverslag van Raleigh verscheen in 1605 in Nederlandse vertaling onder de titel VVarachtighe ende grondighe beschryvinghe van het groot en gout-rijck coningrijck van Guiana, gelegen zijnde in America, by Noorden de groote rivier Orelliana. In de tentoonstellingszaal van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek ligt het fraaie boekwerk veilig onder glas. Het is opengeslagen op de pagina met de lange titel, die is verlucht met twee 'indianen'. Aan de wand naast de vitrine hangt de kaart van Hondius. De twee documenten behoren tot de topstukken uit de Surinamecollectie van de UB die tot april worden geëxposeerd als 'Verhalen van de Wilde Kust'.

Het zijn verhalen van Hollanders in de West: avonturiers, soldaten, planters, ambtenaren, wereldverbeteraars en antropologen. Ze gaan over de verkenning, verovering en kolonisering van Suriname, over de oorspronkelijke bewoners en over de Afrikaanse slaven die zwoegden op de plantages. De vroege geschiedenis van deze kolonie in één goedgevuld zaaltje.

De expositie telt elf kaarten. De eerste, die van Hondius, dateert van 1599; de laatste, die van W.L.Loth, uit 1899. In die drie eeuwen groeide een volksplanting. In 1668 veroverde een Zeeuwse vloot Fort Willoughby op de Engelsen. Het scheepsvolk doopte het om in Fort Zeelandia en bouwde aan de monding van de Surinamerivier de nederzetting Nieuw-Middelburg. Die naam is nooit aangeslagen. Het werd al snel Paramaribo, naar een naburig indiaans dorp.In 1737 lagen langs de oevers van de Suriname- en de Commewijnerivier al 436 suiker- en koffieplantages. Expedities die werden uitgerust tegen marrons, van de plantages gevluchte slaven, drongen steeds dieper door in het binnenland.

Zo nam de kennis van het gebied geleidelijk toe, maar nog in de verlichte achttiende eeuw, toen lezers grote waarde hechtten aan de 'waarheid', werd er op los gefantaseerd. Jan Jacob Hartsinck (1716-1796) was nooit in Suriname geweest, maar las verslagen van de West-Indische Compagnie, waarvan zijn vader directeur was. In zijn Beschryving van Guiana of de Wilde Kust uit 1770 nam hij een tekening op van een Touvinga (een woord uit het 'neger-Engels' of Sranantongo), een denkbeeldige indiaan met aan iedere hand twee vingers.

Deze Touvingas duiken ook op in het boek van de Brit John Gabriel Stedman, Narrative of a Five years' Expedition against the revolted Negroes of Surinam uit 1796.Goedgelovig was deze schrijver allerminst; daarvoor had hij teveel gezien. Stedman diende in het koloniale leger dat joeg op marrons. Zijn boek, dat al snel werd vertaald in het Nederlands, Frans en Italiaans, geeft een indringend beeld van de slavernij. William Blake graveerde de beschreven gruwelen: de afrossing van een slavin die weigerde met haar meester te slapen, en het radbraken van een tuinman die uit zelfverdediging een opzichter doodde. In de Italiaanse editie staan handgekleurde prenten van indianen en slaven, waaronder het portret van Johanna ('Giovanna'), Stedmans geliefde. Hij kocht haar en hun zoontje Johnny vrij, maar toen hij terugging naar Europa liet hij hen achter.

Een aparte vitrine is gewijd aan de critici van het planterdom. Gouverneur Jan Jacob Mauricius (1692-1768) tastte hun macht aan en werd teruggeroepen naar Nederland. Tijdens de thuisreis schreef hij het gedicht Gezang op Zee, waarin hij een bewogen beroep deed op de stadhouder. Jan Willem Kals (1702-1777) preekte in Paramaribo de gelijkheid der rassen en zaagde zo aan het fundament van de plantersmacht. De gemeente reageerde: Domine! Laat die vervloekte Chams kinderen voor den Duyvel vaaren; die zyn Geschaapen om ons Koffy en Suyker te planten.' Ook deze 'Multatuli van de West' moest terug naar de Republiek.

In de loop van de negentiende eeuw kreeg het moederland belangstelling voor de inheemse culturen van de kolonie. Op de Internationale Koloniale en Uitvoerhandeltentoonstelling van 1883 in Amsterdam waren niet alleen koloniale waren te zien, maar ook enkele Karib-indianen. Zij verbleven overdag in een circustent, waar zij met meegebracht materiaal hutten bouwden en manden vlechtten. Ze waren naar Nederland gelokt met de belofte dat zij koning Willem III zouden ontmoeten. De vorst liet het helaas afweten.