Stoeptegels zijn van groot belang

Lokale partijen spelen een belangrijke rol in de gemeentepolitiek. Hoe moeilijk of gemakkelijk is het voor een burgemeester om te besturen met lokale partijen in raad of college?

De Haarlemmermeerse partij HAP is een aantal keren van naam gewisseld. In de jaren tachtig was HAP de afkorting voor Haarlemmermeerse Arbeiders Partij. Later werd dit Haarlemmermeerse Actieve Politiek. Ook onder die naam kwam de partij nooit verder dan een enkele zetel.

Dat veranderde in 2002. Toen besloot fractievoorzitter Piet van der Jagt dat de partij voortaan Leefbaar Haarlemmermeer (HAP) zou heten. Resultaat bij de gemeenteraadsverkiezingen op 2 maart 2002: 11 van de 39 zetels.

Het gevolg was dat de partij aan de basis stond van het collegeprogramma en twee wethouders mocht leveren. Helaas werd het college geen succes. Eén van de twee wethouders werd na negen maanden gedwongen op te stappen: het wethouderschap bleek te hoog gegrepen. Later stapten nog twee Leefbaar-wethouders op, óók wegens politiek-bestuurlijk onvermogen. Zij waren overigens niet de enigen: ook een CDA-wethouder en een VVD-wethouder werden gedwongen het college te verlaten. Zelfs fractieleider Piet van der Jagt moest het veld ruimen. Hij begon met een ander uitgetreden Leefbaar-raadslid, Wil Gaykema, een nieuwe fractie: Haarlemmermeer Progressief, afgekort Ha-p.

Tegenwoordig zit Leefbaar Haarlemmermeer weer in de oppositie. De partij doet mee aan de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen. Net als Ha-p ofwel de lijst Van der Jagt/Gaykema. En dan is er nog Forza!Haarlemmermeer, een nieuwe, naar eigen zeggen `op het gedachtegoed van Pim Fortuyn gefundeerde partij`.

Niet overal waar lokale partijen in het college komen, gaat het mis. Sterker, meestal gaat het goed. Zo krijgen in de burgemeesters-enquête vrijwel alle lokale wethouders een (ruime) voldoende van hun burgervader: veel zevens en achten, een enkele zes, één vijf, één drie.

De lokale raadsleden daarentegen scoren beduidend lager: zessen en zevens, maar ook heel wat vijfen en vieren. Het gemiddelde komt uit op een vijfeneenhalf - net geen onvoldoende, maar ook net geen voldoende.

Waar komt dat verschil vandaan? En: hoe moeilijk is het om te besturen met lokale partijen in gemeenteraad en/of college?

Om met het laatste te beginnen: niet zo moeilijk wanneer de partij al wat langer meedraait: grosso modo het onderscheid tussen de pre-fortuynistische en de fortuynistische lokale partijen, de partijen dus die vier jaar geleden in alle haast werden opgericht om te profiteren van de electorale fall out van Pim Fortuyn.

'Leefbaar Utrecht is een pre-fortuynpartij', zegt bijvoorbeeld meteen burgemeester Annie Brouwer-Korf (PvdA) van Utrecht. Brouwer: 'Ze kwamen bij de laatste verkiezingen als grootste uit de bus en hebben toen drie wethouders geleverd. Het is een gevestigde partij geworden.'

Zo gevestigd soms al, dat ze al eerder wethouders leverden. Burgemeester Ype Zijlstra (PvdA) van Zeewolde: 'Leefbaar Zeewolde zit nu voor de tweede keer in het college, met twee wethouders. Het is een gewortelde, deskundige partij.' Of neem Heerhugowaard. Daar zit de Heerhugowaardse Onafhankelijke Partij al twaalf jaar in het college. Burgemeester Han ter Heegde (VVD) van Heerhugowaard: 'Als lokale partijen in het college komen, zie je vaak dat ambtenaren en politici van andere partijen hun hart vasthouden: als dat maar goed gaat. Maar dan blijken die wethouders vaak heel pragmatisch ingesteld.'

Gevestigd, geworteld, deskundig, pragmatisch - is er dan nog verschil tussen de oude partijen en de lokale partijen die bestuursverantwoordelijkheid hebben genomen? Ja, verschil is er ook. Burgemeester Gerd Prick (PvdA) van Groesbeek (twee lokale partijen in het college): 'We hadden hier de Groesbeekse Volkspartij. Toen kwam daar nog een lokale partij bij: VOLG, Voor Openheid en een Leefbaar Groesbeek. Die partij wilde het dorpsgezicht in al zijn facetten behouden. Nu, twaalf jaar later, is dat een brede partij geworden die zich op verscheidene onderwerpen richt. Maar ze leggen nog wel dezelfde accenten als vroeger, waardoor er tegenwoordig beter wordt nagedacht over de culturele waarde van het dorp.'

Lokale partijen, ook als ze in het college zitten, zijn vooral geïnteresseerd in praktische zaken. Ze vragen (en krijgen) vaak de portefeuille ruimtelijke ordening. Daarbij kan het een probleem zijn, zegt burgemeester Jan Broertjes (VVD) van Vlagtwedde (één wethouder van Partij Gemeentebelangen) 'dat ze een soort nationalisme op gemeentelijk niveau bedrijven: hun beleid houdt op bij de gemeentegrens'. In Vlagtwedde is dat overigens niet zo, 'wij zijn heel tevreden met onze wethouder'.

Ook burgemeester Els Timmers-van Klink (VVD) van Oegstgeest is 'ingenomen' met de wethouder van Leefbaar Oegstgeest. Over de raadsleden van die partij zegt ze: 'Dat gaat op en neer. Een paar jaar geleden keken ze meer over de gemeentegrenzen heen, maar ze hebben een stap teruggedaan. Ze zijn nu weer meer gericht op het behoud van het dorpskarakter.'

Lokale raadsleden worden door hun kiezers vaak aangesproken op zaken als losliggende stoeptegels, kapotte lantaarnpalen en hondenpoep. Zij stellen dat dan aan de orde in de gemeenteraad, waar dus meer tijd dan voorheen wordt besteed aan details op straatniveau. Maar de slechte cijfers voor lokale raadsleden, vooral in gemeenten waar die partijen in de oppositie zitten, hebben ook met twee andere karakteristieken van lokale partijen te maken.

Om te beginnen wordt in jonge, snel opgekomen lokale partijen bij gebrek aan een gedeelde ideologie, makkelijker ruzie gemaakt. Dit heeft vaak afsplitsingen tot gevolg. Zo kwam Leefbaar Rotterdam in 2002 binnen met 17 zetels, waarvan er na 5 afsplitsingen nu nog 11 over zijn.

Daarnaast hebben veel (beginnende) lokale partijen moeite met het bedrijven van politiek: debatteren, moties en amendementen indienen, gelegenheidscoalities vormen. Sommige partijen willen dat niet leren: ze associëren het te veel met de achterkamertjespolitiek waar ze zich juist tegen afzetten.

Wat daar ook bij speelt is dat de traditionele, landelijke partijen opleidingsinstituten hebben voor het aanleren van het politieke handwerk. Die partijen krijgen daar subsidie voor. Lokale partijen ontberen een partijapparaat - evenals de subsidie die daarbij hoort.

Hooguit verenigen ze zich, zoals de Federatie Gemeentebelangen Friesland of de (landelijke) Vereniging voor Plaatselijke Politieke Groeperingen, de VPPG. De VPPG biedt cursussen `professionaliteit van het lidmaatschap van de raad`. Ook is er sinds kort een wetenschappelijk bureau, 'maar dat drijft op vrijwilligers', zegt Theo van Swol, de voorzitter. Van Swol: 'Het is een grondrecht om je beschikbaar te mogen stellen voor de politiek - maar vervolgens moeten lokale partijen alles op eigen kracht doen. Dus laten onze partijen zien dat je als raadslid individueel kunt functioneren, zonder de steun van een moederpartij. In die zin is onze democratische legitimatie groter.'