Rice kan Arabische partners niet overtuigen

Op een rondreis langs Arabische bondgenoten stuitte Condoleezza Rice deze week op onbegrip en kilte, of het nu ging over Hamas, Iran of democratisering.

Haarrondreis langs Arabische bondgenoten heeft de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice deze week weinig vreugde opgeleverd.

Haar oproep tot het afsnijden van financiële steun aan het Palestijnse bestuur als dat straks wordt overgenomen door de moslimfundamentalistische organisatie Hamas, werd in Egypte en Saoedi-Arabië ronduit verworpen. Haar pleidooien voor interne democratisering vallen altijd slecht bij autoritaire Arabische leiders, dus deze week ook. Zelfs haar aandringen op steun voor internationale maatregelentegen het omstreden nucleaire programma van Iran ontmoette geen enthousiasme.

'Er is nog geen bewijs dat ze [Iran] atoomwapens produceren', zei de Saoedische minister van Buitenlandse Zaken, prins Saud al-Faisal woensdag. Zowel in Egypte, als inde Golfstaten, alle sunnitisch, worden de bedoelingen van de shi'itische islamitische republiek grondig gewantrouwd. Maar de Arabische leiders vinden dat Washington met twee maten meet - de Amerikanen hebben immers geen moeite met het algemeen aangenomen Israëlische kernwapenprogramma. Dat wil niet zeggen dat de Arabische wereld, op een enkele uitzondering na, Iran steunt. Maar sancties wil ze ook niet.

Wat betreft Hamaszat Rice helemaal in een moeilijk parket. De Verenigde Staten, en het Westen in het algemeen, hebben de Palestijnse verkiezingen die Hamas vorige maand als grote overwinnaar opleverden toegejuicht als democratisch voorbeeld. Alleen de overwinnaar beviel niet. Hamas, dat Israël niet erkent en vooralsnog weigert geweld af te zweren, 'moet kiezen tussen terrorisme en politiek', zei Rice in Kairo en Riad.

Om dat af te dwingen wil Washington dat alle internationale hulp aan de Palestijnse Autoriteit wordt gestaakt als de Hamas-regering aantreedt, wat tot een snel faillissement zou leiden. Wel suggereerde Rice dat een deel van het geld als humanitaire hulp aan de Palestijnse bevolkingzou kunnen worden gestuurd. Maar Egypte noch Saoedi-Arabië wilde daarvan weten. 'Hoe wilt u het verschil maken tussen humanitaire hulp en niet-humanitaire hulp?', vroeg haar Saoedische collega op een gezamenlijke persconferentie in Riad. 'Ze hebben alle twee nodig, infrastructurele en humanitaire hulp.'

In Riad was de stemming op de persconferentie nog vriendelijk, wat in Kairo niet altijd het geval was. Minister Ahmed Aboul Gheit vond dat Hamas tijd moest krijgen. Volgens de Egyptenaren zal de organisatie zonder twijfel bijdraaien.

Niet dat de Egyptische regering zo gesteld is op Hamas - integendeel. De Egyptische autoriteiten zijn zeer beducht voor de aanmoedigende uitwerking die de grote verkiezingsoverwinning van Hamas op hun eigen fundamentalistische oppositie kan hebben. Hamas' moederorganisatie, de Moslimbroederschap, heeft eind vorig jaar haar zeteltal in het parlement tot 88 van de 454 vervijfvoudigd hoewel de regering de omstandigheden zo moeilijk mogelijk had gemaakt. Niet voor niets heeft president Mubarak vorige week de gemeenteraadsverkiezingen die dit jaarmoesten worden gehouden, twee jaar uitgesteld.

Maar een financieel beleg van de Palestijnen isniet iets dat een Arabische leider aan zijn bevolking kan verkopen. Zo'n maatregel tegen Arabische broeders kan door zijn tegenstanders - Moslimbroeders - gemakkelijk als wapen worden gebruikt, zeker in de huidige anti-Amerikaanse atmosfeer in de hele regio, met name (maar lang niet alleen) als gevolg van de oorlog in Irak. De kwestie van de spotprenten van de profeet Mohammed heeft die sfeer verder bedorven, ook al heeft Washingtondaar niets mee te maken, ja zich er zelfs van gedistantieerd.

Bovendien zijn de Arabische leidersniet erg te spreken over de Amerikaanse drukom democratische hervormingen door te voeren. Dat was in Egypte zeer duidelijk. Toen de persconferentie met Rice bij het hoofdstuk democratisering aankwam, werd de atmosfeer volgens aanwezigen merkbaar killer. Gheit verstrakte toen Rice opkwam voor de zojuist tot een gevangenisstraf van vijf jaar veroordeelde oppositiepoliticus Ayman Nour. Nour was correct berecht, zei Gheit, en dat was dat.