Jan Peter, Wouter, Jozias en Femke: kom met mooie woorden en krachtige speeches!

Nederland heeft geen behoefte aan een politicus die zich de statuur van een groot staatsman aanmeet. Eerder aan een leider die pragmatisme verbindt met visie en die visie interessant onder woorden weet te brengen. Poging tot introductie van een nieuw begrip: de literaire leider.

Nederland is verdeeld. Het zelfbeeld van een progressieve, tolerante samenleving die een grote motor wil zijn achter internationale samenwerking wordt niet meer algemeen gekoesterd. Dat land is door de regering en een deel van de bevolking in de steek gelaten. Ik mis het.

En ik ben niet de enige, met enige regelmaat klinkt de roep om een politiek leider die verandering brengt. Ook hier blijkt ons land verdeeld: een deel verlangt naar een premierschap van Hans Wiegel, een ander deel roept Wouter Bos op zich uit te spreken voor een linkse coalitie.

Toch moeten we in een tijd van afnemende overheidsinvloed niet te veel van een leider verwachten. We zullen het uiteindelijk zelf moeten doen: wij zullen zelf een samenleving moeten creëren waarin iedereen zich thuis en welkom voelt. De opdracht van een politiek leider is om het evenwicht te vinden tussen de laat-me-met-rust-waarden van het individualisme en de kom-op-doe-mee-waarden waar we zoveel behoefte aan hebben.

We hebben een leider nodig die boven zijn (of haar) eigen partij uitstijgt en groepen kiezers met elkaar verbindt. Een leider die, in verkiezingstijd, de hoop op verandering verwoordt en, als hij regeert, de gevoelens van inwoners na schokkende gebeurtenissen. Zijn taak is partijen bij elkaar te brengen waar het dossiers betreft waarop de invloed van de overheid nog groot is. Een visie mag je van hem verwachten op problemen waarop het overheidsbeleid van beperkte invloed is. Dan moet het de kracht van zijn persoonlijkheid zijn waarop zijn autoriteit berust. Zoals een verhaal door de vindingrijkheid van de schrijver een verrassende wending kan nemen, vragen ook sociale problemen om creativiteit. Een politiek leider moet een visie hebben op sociale problemen als integratie en vereenzaming (sociale uitsluiting). Die visie kan niet zonder een mooie verwoording: de woorden en de visie van de leider kunnen een verandering teweegbrengen waar beleid niet de oplossing is.

Het geheel van deze kenmerken noem ik literair leiderschap.Een literair leider voert zijn publiek mee, maar zijn retoriek wordt nooit hol. Een literair leider mag best een beetje ijdel zijn, maar hij geeft zich niet over aan de narcistische trekken die we kennen van de leiders van andere landen (Chirac, Berlusconi) en waar ik ook Pim Fortuyn van verdacht.

De Nederlandse cultuur vraagt om een specifieke vorm van literair leiderschap.

Ger Groot stelde in het artikel 'De politiek kan niet zonder de vraag: wat is een goede samenleving?'(Opinie&Debat, 31 december) dat politiek niet zonder een filosofie en een levensbeschouwing kan. Een politieke filosofie kan zich niet beperken tot de privé-sfeer, zij betreft immers een visie op de hele samenleving en zet zich daarom publiekelijk in voor haar verwezenlijking.

Een politiek leider is daarmee ook een ideëel leider, hij moet een visioen hebben van de samenleving die hem voor ogen staat. Een ideëel leider beperkt zich er niet toe de wensen van de bevolking samen te vatten in beleidsvoornemens, dat houdt immers in essentie de ontkenning in dat politiek meer is dan het oplossen van problemen. Een liberaal heeft geen visie op de samenleving, hij wijst slechts op de ruimte die het individu moet worden gelaten om zijn eigen leven in te richten. Dit toont volgens Groot de gebreken van het liberalisme, de belangrijkste politieke stroming van dit moment.

Wij hebben behoefte aan leiders met politieke visie. Die visie is per definitie elitair, zij is afkomstig van een leider en verbonden met zijn persoonlijkheid. Het is aan de kiezer om op die visie te stemmen, het is aan de leider om die visie te ontwikkelen. Daarmee heeft de kiezer het laatste, en de leider het eerste woord.

Het stuk van Groot stopt op een moment dat het voor ons interessant wordt. Hij staat niet stil bij de Nederlandse politieke traditie en bij het soort leider waaraan wij hier behoefte hebben.

Onder anti-politiek versta ik de politieke keuzes die tot doel hebben bepaalde zaken buiten de overheidssfeer te brengen. Het liberale beleid van de twee paarse kabinetten heeft ons getoond dat anti-politiek toch een sterk ethische lading kan hebben. Het paarse kabinet legaliseerde euthanasie, prostitutie en het homohuwelijk. Het gaf daarmee te kennen dat de overheid geen moreel oordeel meer uitsprak over zaken die zij voorheen verbood of hooguit gedoogde. Deze anti-politieke beslissingen kregen vooral in het buitenland het stempel opgedrukt van politieke keuzes die getuigden van een libertaire levensopvatting. Hier hebben die keuzes echter nooit een samenleving waarin 'alles mag en moet kunnen' gesymboliseerd. Wij zijn geen land waar inwoners er vrolijk op los 'euthaniseren en aborteren'.

Onze grote ethische besluiten komen voort uit een in onze cultuur geworteld verlangen pragmatisch om te gaan met grote meningsverschillen, en de levensbeschouwelijke vragen niet tot voorwerp van politiek debat te maken.

Het Nederlandse politieke ideaal is dat van de neutrale staat die een verantwoord sociaal-economisch beleid voert. Over de mate waarin de een voor de ander moet betalen bestaat geen overeenstemming, maar ook de VVD wil degenen die niet kunnen werken niet in de kou laten staan.

Groot ontkent dit niet, ten grondslag aan zijn betoog ligt echter de stelling dat die neutraliteit niet vol te houden is. Politiek gaat uiteindelijk over ethische vraagstukken waarop antwoorden verwacht worden die voortkomen uit een morele overtuiging.

De discussie over (staatsfinanciering van de) vrijheid van onderwijs (art. 23 van de Grondwet) heeft zich in het verleden 'weg laten polderen', en is een goed voorbeeld van onze sterke antipolitieke traditie. Maar dat de discussie over dat artikel steeds weer oplaait, bewijst het gelijk van Groot.

Een Nederlands literair leider doet er goed aan zich in zijn visie tot specifieke ethische vraagstukken te beperken en zich daarbuiten op te stellen als degene die verschillende visies samenbrengt.

Zo vraagt het omroepbestel om een polderoplossing. De kunstensector vraagt niet om een leider die een standpunt inneemt over wat de rol van kunst in de maatschappij is. De sociale zekerheid vraagt in Nederland altijd om een polderoplossing. Er is geen draagvlak voor een sociaal beleid waarbij de overheid de richtinggevende keuze maakt en voorbijgaat aan de standpunten van de bonden.

Een leider die ons onthaalt op visies over instituties die onder de directe invloedssfeer van de overheid vallen, breekt met die cultuur. Ik gruw bij de gedachte dat een Nederlands leider een speech zou wijden aan de plaats die hij het leger in de samenleving toedicht.

De verkiezingen ingaan met een uitgedachte visie op alle morele facetten van onze samenleving lijkt ook geen verstandige strategie. Jan Peter Balkenende heeft het in ieder geval niet aangedurfd: hij sprak zich in de verkiezingsstrijd slechts uit voor fatsoen en tegen de hufterigheid. Als premier wijdde hij een conferentie aan het communitarisme maar hij durft ons niet toe te spreken als een hechte gemeenschap. Hij meent dat wij het eens moeten kunnen worden over de waarden die aan onze samenleving ten grondslag liggen, maar durft die waarden niet in zijn wekelijkse persconferenties te benoemen. Piet Hein Donner durft het soms, maar vindt buiten de gesloten wereld van de hem op handen dragende parlementair redacteuren weinig weerklank.

Femke Halsema heeft in 2005 op verschillende manieren geprobeerd een visie op de samenleving te ontwikkelen. Jozias van Aartsen beschreef het toekomstige Nederland als het New York van Europa (over visioenen gesproken), maar beide fractieleiders hebben, getuige hun positie in de peilingen, buiten de kring van politici en commentatoren, weinig succes gehad.

Dit zou je kunnen wijten aan het liberale karakter van hun opvattingen (hoe voer je een politieke discussie over anti-politiek?) maar ik wijt het liever aan onze politieke traditie. Wij hebben in Nederland amper een politieke cultuur, omdat de meeste besluiten worden voorgekookt in een geïnstitutionaliseerde overlegstructuur, die daardoor een compromiskarakter hebben. Wij hebben een traditie in beleid maken, en zijn veeleer een (indirecte) belangendemocratie dan een (directe) stemdemocratie. Ik vind dat een van de meest prijzenswaardige kenmerken van onze staatsvorm. De kans dat de bevolking over een besluit (of persoon) mag stemmen, is hier misschien minder groot dan in sommige andere landen, de kans dat het belang van een inwoner wordt meegewogen in de besluitvorming is bij een 'polderbesluit' vele malen groter dan bij de alles-of-niets-keuzes van het zuiver democratische model.

Bij onze cultuur past een leider die niet met de vuist op tafel slaat, die het compromis zoekt en die pas van een krachtige visie getuigt als de omstandigheden daarom vragen.

Nederland heeft geen behoefte aan een persoon die zich de statuur van een groot staatsman aanmeet. Nederland heeft een leider nodig die een pragmatische houding verbindt met visie. De literaire leider zal in het bijzonder een visie moeten ontplooien over problemen waarbij we morele leiding verwachten: integratie en vereenzaming. Ons land is de afgelopen jaren met regelmaat geschokt: de moorden in ons eigen land maar ook oorlogen in het buitenland waarbij we betrokken zijn (Afghanistan, Irak) symboliseren een ernstige periode in onze geschiedenis. Een literair leider zal die zware gemoedstoestand moeten verlichten.

We zijn onze trots kwijt en ons open vizier op de wereld. Vooral in de discussies over de Europese Unie lijkt het erop alsof we ons in onze provincies willen terugtrekken en onszelf niet als Europeanen beschouwen. Een literair leider zal die dichotomie tussen provincialisme en wereldburgerschap moeten overstijgen.

Toch hebben wij in het literair leiderschap maar een beperkte traditie. Wij kennen twee soorten leiders: de no-nonsense bestuurders, en de literaire leiders. De no-nonsense bestuurders zijn verreweg in de meerderheid: Ruud Lubbers, Willem Drees en Wim Kok zijn de beroemdste. Ze staan boven de partijen, en hebben eenvoudige gewoonten. Kok houdt de wol op voor zijn wevende vrouw, Drees bood zijn gasten een mariakaakje aan. Lubbers leeft flamboyanter, maar toen zijn autoradio werd gestolen voelde hij zich toch als premier niet te groot om zelf de dief in de kraag te vatten.

Het zijn leiders van het nuttige en het haalbare. Ze hebben veel op met de noden van de gewone man met zijn lage of middeninkomen, zijn vaste lasten en zijn sores. Ze houden van orde en bij grote ordeverstoringen zetten ze desnoods het leger in.

De literaire leiders vormen de minderheid: Van Mierlo was in mijn ogen de laatste gekozen literair leider. Op het hoogtepunt van zijn carrière (de verkiezingsstrijd in 1994) wist hij de droom van een andere vorm van democratie te verwoorden, en was hij (meer nog dan van zijn partij) de spreekbuis voor degenen die verlangden naar een kabinet zonder het CDA. Voor anderen is het Bolkestein gedurende zijn campagne in 1994, of Marijnissen tijdens de campagnes in 2002 en 2003. Het leiderschap van Den Uyl is wellicht ook een goed voorbeeld.

Wim Kok was één keer een literair leider: net na 9/11 verwoordde hij onze gevoelens. Hij gaf ons het gevoel dat we een gemeenschap waren, verenigd in onze geschoktheid door de brute aanval. Het was het inspirerendste moment uit Koks premierschap, veel inspirerender dan het moment waarop hij de ideologische veren afschudde. Balkenende heeft vooralsnog de kans laten liggen om een literair leider te zijn, hoewel zich voldoende gelegenheden hebben voorgedaan.

Ten slotte, de gedoodverfde premier Wouter Bos heeft onlangs aangegeven dat hij een bindend leider wil zijn. Op zijn website beschrijft hij wat hij zich daarbij voorstelt:'Die rol betekent dat je je naast mensen opstelt die zich onzeker voelen. Niet door een zekerheid te bieden die er niet is. Maar door te zeggen: dit is de wereld zoals hij is en ik ga proberen jou sterker te maken.'

Zijn visie op leiderschap is gebaseerd op een misvatting van wat een leider moet zijn: een leider staat niet naast je, een leider heeft ook geen op maat gesneden recept om 'jou sterker te maken'. Ook onzekerheid is immers een probleem waarin overheidsoptreden maar een beperkte rol kan spelen. Dan moet een literair leider visie tonen. Hij moet niet naast je lopen en je aanmoedigen, hij moet een pad tonen. Hij moet je het gevoel geven dat het goed komt. Dat goede gevoel is de bindende energie van een samenleving. Het was het gevoel dat Nederland kenmerkte in 2001 en dat in 2002 plaatsmaakte voor angst en onvrede.

Jullie moeten integratiebrengers zijn en eenzaamheidsdokters: Wouter, Jan Peter, Jan, Femke, Jozias (Hans?), Lousewies. En dat kan niet zonder mooie woorden, specifieke vergezichtenen krachtige speeches. Dit land kan niet alleen zoveel beter, dit land heeft ook zo- veel om trots op te zijn.

Jurist, filosoof en programmamaker bij de Balie in Amsterdam.