Iedereen op reis

Ton van Egmond - Understanding the tourist phenomenon. an analysis of 'west' - ' south' tourism - 200 blz.Wageningen Universiteit, 16 januari 2006. promotor: prof. dr. j. Lengkeek

Het is weer en Nederland is dus weer op reis. Naar de wintersport, naar de zon of naar het carnaval. Dat is allemaal heel gewoon geworden en vrijwel niemand die met de ski's op het dak of de bikini in de koffer de grens overgaat, zal nog het gevoel hebben een 'toerist' te zijn. Dat is ook een beladen woord geworden. De toerist is de laagste in de hiërarchie van reizigers, trekkers, bezoekers en vrijwilligers. Vooral als het ook nog een landgenoot blijkt te zijn, wordt hij gemeden als de pest op de plekken in de wereld die verder toch ook vooral door vreemdelingen op doorreis plegen te worden bezocht. Voor de plaatselijke bevolking is het uiteindelijk allemaal hetzelfde, maar de rugzaktoerist kijkt neer op de all-in toerist en de alleenreizende trekker op de groepsreiziger. De hoogste in status, zeker in exotische oorden, is de westerling die bij en met de plaatselijke bevolking leeft. Die heeft 'echt' contact en maakt deel uit van de wereld, die de toerist alleen maar kan fotograferen. Ton van Egmond werkt al meer dan dertig jaar als docent en consulent op de internationale hogeschool voor toerisme en verkeer in Breda . Zijn proefschrift is de neerslag van zijn ervaringen op dit gebied en tegelijk ook een reflectie op het verschijnsel 'toerist'. Omdat het een proefschrift is, heeft hij het er een beetje als een onderzoek uit laten zien, maar wat dat betreft is het wel erg korte-broeken-werk gebleven. In veel landen kom je daar de kerk niet mee in, maar in de aula van Wageningen heerst kennelijk een wat liberaler regime. Ik weet niet of ik zelf als hoogleraar genoegen zou hebben genomen met zoveel wetenschappelijk bloot (ik denk het niet eigenlijk), maar als toerist voelde ik me wel heel knap in mijn hemd gezet en dat is ook wat waard. Ik zag het allemaal weer voor me: de overnachting in een Akha-hut in Noord-Thailand, de volksdans op bestelling in de Filipijnen, het verbranden van het kampeerafval in de bergen van Nepal. Typisch de calvinistische toerist, zegt Van Egmond, natuurlijk milieubewust en op zoek naar de authentieke volkscultuur, geen snoep voor de kinderen, maar pennen voor het dorpsschooltje. Mooi allemaal, maar een dag later wel graag een hotel met lekkere bedden, westers eten en geen bedelaars op het terras. Ik ben alle soorten toerist geweest die Van Egmond onderscheidt en mijn reacties waren ook precies zoals hij ze beschrijft. Ik grijns, maar ik voel me ook betrapt en schaam me wel een beetje. Het blijft niet bij een accurate beschrijving van de toerist in al zijn gedaanten, het verschijnsel wordt ook geduid en verklaard. Dan gaat het niet meer om de toerist die door Europa of Amerika reist, maar om de bezoeker van ontwikkelingslanden, van Thailand en Mexico tot Cambodja en Gambia. Tenslotte ook nog weer een bijzondere bezoeker, de toerist uit de protestante landen van Europa. Dat blijkt een bijzonder genus te zijn, want niet alleen reizen Nederlanders, Duitsers, Engelsen en Scandinaviërs het meest van allemaal, maar als toerist zitten zij ook nog gevangen in een doolhof van tegenstrijdige eisen. Het arbeidsethos wil dat ze actief en zinvol bezig zijn, de bijbelse traditie van het rentmeesterschap dwingt tot zuinig omgaan met de natuurlijke hulpbronnen, de puriteinse erfenis maakt het moeilijk met volle teugen van de zo ijverig vergaarde rijkdom te genieten, de romantische ideeën willen hen vooral van ongerepte natuur laten genieten en ook nog doen geloven dat er veel te leren valt van nog niet door de modernisering aangetaste volkeren en culturen. Reizen is dus werken, het steeds weer opnieuw opdoen van nieuwe ervaringen, alles willen weten van de geschiedenis van een volk of land, planten en dieren kunnen determineren, en wanneer dat zo uitkomt, ook de oorspronkelijke bevolking 'helpen', met geld of als vrijwilliger.Amerikanen, Japanners en katholieke Zuid-Europeanen hebben het gemakkelijker, aldus Van Egmond. Ze voelen zich minder verantwoordelijk, ze zijn meer op hun eigen comfort gesteld en verwachten ook meer waar voor hun geld. Ze hebben er ook minder problemen mee dat ze het zoveel beter hebben dan de mensen in de landen die ze bezoeken. Het klinkt allemaal niet zo aardig, maar wordt in de ontwikkelingslanden wel beter begrepen, want men zou zelf niet anders reageren. Veel geld betalen om als vrijwilliger te mogen helpeneen schooltje te bouwen of juist heel weinig willen uitgeven voor eten en slapen, als je eigenlijk geld genoeg hebt, dat valt nauwelijks uit te leggen.Bovendien blijkt het allemaal heel dubbel te zijn. De zo demonstratief getoonde belangstelling is zelden blijvend, volgend jaar 'moet' er weer een nieuwe bestemming worden bezocht. De eenzame 'backpacker' zoekt overal meteen soortgenoten op en geen reisgids wordt meer gebruikt dan juist Lonely Planet. Van Egmond rekent met heel wat opinions chic af. De bestemming blijkt er niet zoveel toe te doen. Reizen is geen ontspanning en vakantie geen ontsnapping aan de druk van de prestatie-en consumptiemaatschappij, het is er gewoon een integraal onderdeel van.Groepsreizigers bezoeken niet of nauwelijks andere locaties dan zelfstandige reizigers of echte trekkers. Beide categorieën krijgen ook ongeveer hetzelfde te zien. Wel zijn er behoorlijke verschillen in de mate waarin de verschillende vormen van toerisme en de verschillende typen toeristen een bijdrage leveren aan de nationale of lokale economie. Hetzelfde geldt voor de mate waarin toerisme de natuurlijke omgeving beschermt of beschadigt. Het is zeker niet vanzelfsprekend dat bijvoorbeeld het grootschalige strandtoerisme bij Pattaya of op Bali schadelijker zou zijn dan de kleinschalige, maar steeds terugkerende bezoeken aan kwetsbare natuurgebieden of kleine dorpsgemeenschappen diep in het binnenland. Juist de zoekers naar het authentieke en het echte zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor het verdwijnen ervan. Het is een van de vele paradoxen van het toerisme in dit merkwaardige en dus erg authentieke proefschrift.et is weer en Nederland is dus weer op reis. Naar de wintersport, naar de zon of naar het carnaval. Dat is allemaal heel gewoon geworden en vrijwel niemand die met de ski's op het dak of de bikini in de koffer de grens overgaat, zal nog het gevoel hebben een 'toerist' te zijn. Dat is ook een beladen woord geworden. De toerist is de laagste in de hiërarchie van reizigers, trekkers, bezoekers en vrijwilligers. Vooral als het ook nog een landgenoot blijkt te zijn, wordt hij gemeden als de pest op de plekken in de wereld die verder toch ook vooral door vreemdelingen op doorreis plegen te worden bezocht. Voor de plaatselijke bevolking is het uiteindelijk allemaal hetzelfde, maar de rugzaktoerist kijkt neer op de all-in toerist en de alleenreizende trekker op de groepsreiziger. De hoogste in status, zeker in exotische oorden, is de westerling die bij en met de plaatselijke bevolking leeft. Die heeft 'echt' contact en maakt deel uit van de wereld, die de toerist alleen maar kan fotograferen.

Ton van Egmond werkt al meer dan dertig jaar als docent en consulent op de internationale hogeschool voor toerisme en verkeer in Breda . Zijn proefschrift is de neerslag van zijn ervaringen op dit gebied en tegelijk ook een reflectie op het verschijnsel 'toerist'. Omdat het een proefschrift is, heeft hij het er een beetje als een onderzoek uit laten zien, maar wat dat betreft is het wel erg korte-broeken-werk gebleven. In veel landen kom je daar de kerk niet mee in, maar in de aula van Wageningen heerst kennelijk een wat liberaler regime. Ik weet niet of ik zelf als hoogleraar genoegen zou hebben genomen met zoveel wetenschappelijk bloot (ik denk het niet eigenlijk), maar als toerist voelde ik me wel heel knap in mijn hemd gezet en dat is ook wat waard. Ik zag het allemaal weer voor me: de overnachting in een Akha-hut in Noord-Thailand, de volksdans op bestelling in de Filipijnen, het verbranden van het kampeerafval in de bergen van Nepal. Typisch de calvinistische toerist, zegt Van Egmond, natuurlijk milieubewust en op zoek naar de authentieke volkscultuur, geen snoep voor de kinderen, maar pennen voor het dorpsschooltje. Mooi allemaal, maar een dag later wel graag een hotel met lekkere bedden, westers eten en geen bedelaars op het terras.

Ik ben alle soorten toerist geweest die Van Egmond onderscheidt en mijn reacties waren ook precies zoals hij ze beschrijft. Ik grijns, maar ik voel me ook betrapt en schaam me wel een beetje. Het blijft niet bij een accurate beschrijving van de toerist in al zijn gedaanten, het verschijnsel wordt ook geduid en verklaard. Dan gaat het niet meer om de toerist die door Europa of Amerika reist, maar om de bezoeker van ontwikkelingslanden, van Thailand en Mexico tot Cambodja en Gambia. Tenslotte ook nog weer een bijzondere bezoeker, de toerist uit de protestante landen van Europa. Dat blijkt een bijzonder genus te zijn, want niet alleen reizen Nederlanders, Duitsers, Engelsen en Scandinaviërs het meest van allemaal, maar als toerist zitten zij ook nog gevangen in een doolhof van tegenstrijdige eisen. Het arbeidsethos wil dat ze actief en zinvol bezig zijn, de bijbelse traditie van het rentmeesterschap dwingt tot zuinig omgaan met de natuurlijke hulpbronnen, de puriteinse erfenis maakt het moeilijk met volle teugen van de zo ijverig vergaarde rijkdom te genieten, de romantische ideeën willen hen vooral van ongerepte natuur laten genieten en ook nog doen geloven dat er veel te leren valt van nog niet door de modernisering aangetaste volkeren en culturen. Reizen is dus werken, het steeds weer opnieuw opdoen van nieuwe ervaringen, alles willen weten van de geschiedenis van een volk of land, planten en dieren kunnen determineren, en wanneer dat zo uitkomt, ook de oorspronkelijke bevolking 'helpen', met geld of als vrijwilliger.

Amerikanen, Japanners en katholieke Zuid-Europeanen hebben het gemakkelijker, aldus Van Egmond. Ze voelen zich minder verantwoordelijk, ze zijn meer op hun eigen comfort gesteld en verwachten ook meer waar voor hun geld. Ze hebben er ook minder problemen mee dat ze het zoveel beter hebben dan de mensen in de landen die ze bezoeken. Het klinkt allemaal niet zo aardig, maar wordt in de ontwikkelingslanden wel beter begrepen, want men zou zelf niet anders reageren. Veel geld betalen om als vrijwilliger te mogen helpeneen schooltje te bouwen of juist heel weinig willen uitgeven voor eten en slapen, als je eigenlijk geld genoeg hebt, dat valt nauwelijks uit te leggen.

Bovendien blijkt het allemaal heel dubbel te zijn. De zo demonstratief getoonde belangstelling is zelden blijvend, volgend jaar 'moet' er weer een nieuwe bestemming worden bezocht. De eenzame 'backpacker' zoekt overal meteen soortgenoten op en geen reisgids wordt meer gebruikt dan juist Lonely Planet.

Van Egmond rekent met heel wat opinions chic af. De bestemming blijkt er niet zoveel toe te doen. Reizen is geen ontspanning en vakantie geen ontsnapping aan de druk van de prestatie-en consumptiemaatschappij, het is er gewoon een integraal onderdeel van.

Groepsreizigers bezoeken niet of nauwelijks andere locaties dan zelfstandige reizigers of echte trekkers. Beide categorieën krijgen ook ongeveer hetzelfde te zien. Wel zijn er behoorlijke verschillen in de mate waarin de verschillende vormen van toerisme en de verschillende typen toeristen een bijdrage leveren aan de nationale of lokale economie. Hetzelfde geldt voor de mate waarin toerisme de natuurlijke omgeving beschermt of beschadigt. Het is zeker niet vanzelfsprekend dat bijvoorbeeld het grootschalige strandtoerisme bij Pattaya of op Bali schadelijker zou zijn dan de kleinschalige, maar steeds terugkerende bezoeken aan kwetsbare natuurgebieden of kleine dorpsgemeenschappen diep in het binnenland. Juist de zoekers naar het authentieke en het echte zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor het verdwijnen ervan. Het is een van de vele paradoxen van het toerisme in dit merkwaardige en dus erg authentieke proefschrift.