Het tuinpoortje en het toeval

Welke leeslijstklassiekers hebben de 'literaire X-factor'? Een tweewekelijks rondje langs de eeuwige jachtvelden van de wereldfictie brengt Pieter Steinz bij Het bittere kruid van Marga Minco.

'Iemand moest Josef K. belasterd hebben, want zonder dat hij iets kwaads had gedaan, werd hij op een dag gearresteerd.' De gedenkwaardige eerste zin van Der Prozess (1925), de beroemdste roman van Marga Minco's favoriete schrijver Kafka, zou het motto kunnen zijn van vele romans en kronieken over de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. In Het bittere kruid van Minco, dat 32 jaar na 'Het proces' verscheen, worden de ouders van de ikfiguur vergelijkbaar terloops opgepakt. Het hoofdstuk waarin dat verteld wordt, begint met de zin 'Op de avond dat de mannen kwamen liep ik het tuinpoortje uit'; het eindigt met 'Het was alsof ik alleen was in een verlaten stad.'

De stijl van Minco - korte zinnen, geladen dialogen, inzoomen op details - is sinds haar debuut uit 1957 niet veranderd. Haar belangrijkste onderwerp ook niet. 'Steeds anders over dezelfde oorlog' luidde de kop van een interview dat een paar jaar geleden in NRC Handelsblad verscheen. De Tweede Wereldoorlog, die de joodse Sara Menco als enige van haar gezin overleefde, is de wortel van de thema's die in verhalenbundels als De andere kant (1959) en romans als Een leeg huis (1966) naar boven komen: noodlot en de herinnering die pijn doet maar die ook noodzakelijk is. Later kwam de nadruk in Minco's werk steeds meer te liggen op schuldgevoelens en de rol van het toeval, dat beslist over leven en dood. Zo wordt in de novelle De val (1983) de doodsmak van een oude vrouw in een straatput gecontrasteerd met de struikeling die haar veertig jaar eerder behoedde voor deportatie door de nazi's; terwijl in de korte roman Nagelaten dagen (1997) een schrijfster ook na vijftig jaar worstelt met de 'toevallige' dood van haar oudere zuster in de oorlog.

,,Ik schrijf om erachter te komen hoe het anders had kunnen gaan,' zei Minco ooit toen haar gevraagd werd of de vluchtscène uit Het bittere kruid écht zo gebeurd was. Maar hoewel haar verslag van de ondergang van een Bredaas gezin als fictie de literatuurgeschiedenis is ingegaan - als een van de eerste romans over de jodenvervolging in Nederland zelfs - heeft de schrijfster nooit een geheim gemaakt van het autobiografische gehalte van Het bittere kruid. De ondertitel is 'een kleine kroniek'; haar zusje en broer komen onder hun eigen namen in het boek voor; en aan de veertiende druk uit 1971 werd zelfs een opgevouwen poster met jeugdfoto's van de schrijfster toegevoegd.

Fictie mag je Het bittere kruid niet noemen. Maar dat heeft niets afgedaan aan de populariteit van Minco's kroniek bijscholieren op zoek naar een goed boek voor de Nederlandse literatuurlijst. Honderdduizenden vierde- en vijfdeklassers moeten Het bittere kruid gelezen hebben - het beleefde 45 drukken van gemiddeld tienduizend exemplaren - en wie het koos omdat het zo lekker dun was, zal hopelijk meteen getroffen zijn door de subliem-simpele manier waarop Minco haar geschiedenis vertelde. 'Er staan nog deuren genoeg voor ons open,' zegt broer Dave wanneer hun ouders opgepakt zijn. Waarna de ikfiguur het volgende commentaar geeft: 'Aan die deuren moest ik denken, toen ik die nacht in bed lag en niet slapen kon. Ik dacht aan de deur die ik op Seideravond altijd open mocht zetten, opdat de vermoeide vreemdeling kon zien dat hij welkom was en mee mocht zitten aan onze tafel. Ieder jaar hoopte ik dat er iemand binnen zou komen, maar het gebeurde nooit. En ik dacht aan de vragen die ik als jongste moest stellen. 'Manisjtanno, halajlo, hazee. Waarom is deze nacht anders dan andere nachten en waarom eten wij ongezuurd brood en bittere kruiden?' Reacties: steinz@nrc.nl