Het is tijd om de burgemeester te kiezen

De gemeentelijke democratie in Nederland maakt een moeilijke periode door. Sommigen, zoals de Leidse politicoloog Van den Berg, spreken zelfs van een 'crisis'. Die is echter al sinds 1990 gaande, zodat er eerder sprake lijkt van een chronische aandoening. Een belangrijk symptoom hiervan is de steeds hogere omloopsnelheid van lokale bestuurders. Het aantal wethouders dat om politieke redenen opstapt, is in twintig jaar tijd vervijfvoudigd, zo becijfert Van den Berg: van 48 wethouders in 1987 en 1988 oplopend tot 235 wethouders in 2004 en 2005.

Een ander symptoom van de crisis is de zogeheten 'versnippering' van de gemeenteraden. Landelijke partijen ondervinden op lokaal niveau stevige concurrentie van 'leefbaren', van'lokalo's' en van afgesplitste eenpersoonsfracties. Dit zijn de erflaters van de Amsterdamse Lijst Hadjememaar, die bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 furore maakte met zijn enige programmapunt: gratis 'jajem' van de gemeente. Maar van folklore ter verlevendiging van de raad, zijn zij volgens sommigen verworden tot een aantasting van de slagkracht van het gemeentebestuur. Lokale partijen echter zijn, zoals Van den Berg ook stelt,slechts een bewijs van het verval van de klassieke landelijke volkspartijen. Niet vergeten moet worden dat de politieke schok die Pim Fortuyn in 2002 aan het Binnenhof veroorzaakte, begon met de lokale machtsverschuiving in Rotterdam.

De invoering van het zogeheten duaal bestel in de gemeentelijke politiek, bij toeval ook in 2002, heeft de omzetsnelheid van wethouders mede verhoogd. Wethouders bleven voorheen deel uitmaken van de fracties in de gemeenteraad waaruit zij waren voortgekomen. Om ongezond monisme en geritsel in gemeentelijke achterkamertjes te bestrijden, werd het dualisme ingevoerd. Wethouders staan op afstand van de fracties in de raad. Dit is op zich een gezondere situatie dan het monistische bestuur van weleer.

Burgemeesters blijken nu gemengde gevoelens te koesteren over de 'dualisering'.Uit een enquête van deze krant onder de Nederlandse burgemeesters komt onder meer naar voren dat slechts een kleine meerderheid die ontwikkeling positief beoordeelt. Een van tegenstanders spreekt over de duellisering van het bestuur. De raad is weliswaar kritischer geworden, maar het bestuur als geheel minder stabiel. Dat is een interessante uitkomst. Immers: de burger heeft baatbij een gemeenteraad die het bestuur goed controleert. Nu dient er nog voor te worden gezorgd dat de stabiliteit van de gemeentelijke democratie toeneemt.

De positie van de burgemeester zelf verdient hierbij als eerste nader onderzoek. Uit de antwoorden van de burgemeesters blijktdat zij in het nieuwe dualistische stelsel in een onhoudbare positie terecht zijn gekomen. Zoals burgemeester De Graaf (VVD) van Apeldoorn zegt: de burgemeester als voorzitter van de raad moet zichzelf controleren als voorzitter van het college van B en W. Naar nationale verhoudingen vertaald zijn burgemeesters nu tegelijkertijd Kamervoorzitteren premier. Hieraan dient op afzienbare termijn een eind te worden gemaakt. Dualisering kan niet ongedaan worden gemaakt. Niemand zal terug willen naar de voor de burger soms ondoorzichtige besluitvorming van voor 2002.

Om het duaal bestel goed te laten functioneren moet de positie van de burgemeester eenduidig worden. Dat kan het beste door hem te laten kiezen, om te beginnen door de gemeenteraad. De Groningse staatsrechtgeleerde Elzinga heeft overtuigend betoogd dat rechtstreekse verkiezing van de burgemeester nu nogte veel het risico in zich draagt van 'twee kapiteins op een schip'. Het wetsvoorstel van D66 om te komen tot een direct gekozen burgemeester is vorig jaar gesneuveld in de Eerste Kamer. Maar deze bestuurlijke vernieuwing is onontkoombaar. Het is tijd dat kabinet en parlement tot dat inzicht komen en ernaar handelen.