Hardnekkig misverstand

Het Amsterdamse basisonderwijsscoort bovengemiddeld op de Cito-toets. Een fraaie prestatie voor een stad met veel kinderen van laag opgeleide immigranten. Helaas is dit schone schijn. Gebleken is dat scholen gemiddeld genomen bijna een kwart van hun leerlingen niet aan de toets laten meedoen. Ja, zo kan ik het ook, denken ze in andere delen van het land, en ook daar houden scholen dus in toenemende mate zwakke leerlingen buiten de toets.

Reden voor Kamerleden om voor te stellen scholen te verplichten al hun leerlingen aan de toets te laten deelnemen. In haar column in de Volkskrant van woensdag 22 februari stelt Evelien Tonkens de vraag of dit inderdaad wenselijk is. Die beantwoordt zij met een volmondig nee. Zij vindt dat de scholen dat zelf moeten bepalen, want die weten beter dan wie ook wat goed is voor hun leerlingen. Die toets wordt in haar ogen bovendien misbruikt, want hij was oorspronkelijk niet bedoeld om de prestaties van de scholen, maar uitsluitend om die van de leerlingen te meten. Hier slaat Tonkens de plank faliekant mis. De Cito-toets is namelijk wel degelijk ontwikkeld met de bedoeling om de prestaties van scholen te meten. Het is een schoolvorderingentest die meet in hoeverre de leerlingen de leerstofvan de basisschool beheersen. Alleen als alle leerlingen de toets maken is het mogelijk om een oordeel te geven over de kwaliteit van scholen of de achterstanden van bepaalde categorieën leerlingen. Zonder deze kennis van zaken kunnen bestuurders, beleidsmakers en politici hun werk niet doen.

Evelien Tonkens meent dat het pedagogisch niet wenselijk is leerlingen een toets te laten maken waar ze maar weinig van terecht brengen. Zij beroept zich daarbij op een lerares van een zwarte basisschool die twee jaar geleden beschreef hoe de toetsuitslag aankwam bij haar leerlingen. 'Op school wordt over de uitslag in harde termen gesproken. Een kind heet dan gedetermineerd. Precies zo voelen de leerlingen dat. Weg toekomst. En dat rekenen de kinderen zichzelf zwaar aan.' Ik denk dat dit veel zegt over de pedagogische kwaliteiten van de betreffende school.

Toen in Amsterdam in de jaren zeventig de Cito-toets werd afgeschaft heeft dat in de daarop volgende jaren ertoe geleid dat op sommige scholen de leerprestaties dramatisch achter bleven zonder dat iemand dat in de gaten had. Dat ontdekten de ouders pas toen hun kind in de brugklas zat. De weigering indertijd van veel scholen om mee te doen aan de Cito-toets ging, net als nu, gepaard met allerlei fraaie pedagogische argumenten. Ook toen luidde het argument dat de kinderziel daar niet mee gediend was. Gelukkig heeft wethouder Van der Aa de toets weer verplicht gesteld.

Het is interessant om te zien dat de huidige anti-toetslobby een politiek bepleit die diametraal staat tegenover het Amerikaanse onderwijsbeleid waar juist de laatste jaren met stringente landelijke toetsprogramma's de prestaties van met name de achterstandsleerlingen spectaculair zijn verbeterd.

De toets is niet bedoeld om scholen te meten, maar voor de individuele advisering van leerlingen. Nee dus. Voor die individuele advisering is de toets alleen een betrouwbaar instrument waar het gaat om de uitersten, de goeden en de zwakken, maar dat weten de scholen ook wel zonder toets. Wat betreft de grote groep van gemiddelde leerlingen zegt de uitslag maar weinig: de scores liggen dicht bij elkaar, waardoor factoren als geluk of pech en een meer of minder goede dag een belangrijke rol spelen. Voor die gemiddelde leerlingen is de toetsscore hooguit bruikbaar als een tweede gegeven naast het oordeel van de school zelf.

lgm.prick@worldonline.nl