Glucosamine is niet beter dan neppil bij gewrichtsslijtage

Mensen met gewrichtsslijtage slikken vaak de voedingssupplementen glucosamine en chondroïtine. Maar die middelen werken niet beter dan een namaakmiddel, zo blijkt uit een groot onderzoek van de Amerikaanse National Institutes of Health. Bij eerdere onderzoeken hadden glucosamine en chondroïtine vaak wel effect maar die studies waren praktisch allemaal opgezet door de producent van de voedingssupplementen.

Het nu afgeronde onderzoek, de GAIT-studie (Glucosamine/chondroitin Arthritis Intervention Trial), was groots opgezet. Het moest eens en voor altijd duidelijk maken of glucosamine en chondroïtine echt nut hebben bij gewrichtsslijtage door artrose (New England Journal of Medicine, 23 februari). Er waren veel deelnemers (meer dan 1500 patiënten met door röntgenfoto's bewezen artrose aan de knie, waarvan tweederde vrouw), het was onafhankelijk gefinancierd en aan de geteste middelen konden de patiënten niet zien of ze een neppil of een echt voedingssupplement kregen. Dat laatste is niet makkelijk want glucosamine is een hele pil. De deelnemers kregen - door het toeval bepaald - één van de volgende vijf behandelingen: 1500 milligram glucosamine, 1200 milligram chondroïtinesulfaat, een combinatie van deze twee, 200 milligram celecoxib of een namaakmiddel (placebo). Celecoxib is een Cox-2-remmer, een moderne variant van aspirine, bewezen werkzaam bij artrose. Als de patiënten pijn hadden mochten ze naast de beschikbaar gestelde middelen ook nog paracetamol slikken.

Bij artrose zijn door overbelasting van een gewricht beschadigingen ontstaan aan het kraakbeen. Dat geeft pijn, startstijfheid, zwelling en op den duur functieverlies. In het Amerikaanse onderzoek zijn die klachten bij de deelnemers voorafgaand aan het onderzoek en na zes maanden opnieuw beoordeeld aan de hand van een bij artrose veel gebruikte vragenlijst, de WOMAC-index. Het gaat daarbij om vragen naar bijvoorbeeld pijn 's nachts, bij traplopen en dergelijke.

Na een half jaar waren de gewrichtsproblemen bij ruim 60 procent van de met glucosamine, chondroïtine of de combinatie behandelde patiënten een vijfde verminderd. En dat gold óók voor de placebogroep. Er was maar een minimaal verschil, van een paar procent, waar niemand in de dagelijkse praktijk iets van zal merken. De pijnstiller celecoxib kwam er met tien procent extra verbetering ten opzichte van de placebo nog het beste uit.

De onderzoekers sluiten overigens niet uit dat glucosamine en chondroïtine toch enig nut hebben bij ernstige artrose. De meerderheid van de deelnemers had namelijk betrekkelijk milde artrose en daarbij kan er een flink placebo-effect voorkomen. Bij de betrekkelijk kleine subgroep met echt ernstige artrose was het verschil tussen glucosamine/chondroïtine en een placebo duidelijker: 79 procent verbetering tegen 54 procent.

Artrose is ongeneeslijk. De behandeling is beperkt tot pijnstillers en fysiotherapie, en in het uiterste geval een kunstgewricht. Het is dus niet verbazingwekkend dat glucosamine en chondroïtine - natuurlijke bouwstenen van kraakbeen - zo populair zijn; er is dan tenminste iets te doen. Maar de uit schaaldieren (glucosamine) en uit kraakbeen van runderen en kalveren (chondroïtine) afkomstige voedingsupplementen zijn duur. Bij de geadviseerde hoge dosering is dat al gauw vijftig euro per maand uit eigen zak, en zelfs met onzeker effect, blijkt uit het Amerikaanse onderzoek. Bart Meijer van Putten.