Een bevlogen schaatsdier

Is er een schaatsleven na Ab Krook? De oud-allrounder neemt volgende maand na tien jaar afscheid als technisch-directeur en topsportcoördinator van de KNSB. Hij bezocht acht keer de Winterspelen. 'Ik zal niet gemist worden.'

Ab Krook: ,, Nederlandse coaches zouden meer ervaring moeten opdoen in het buitenland.' Foto Soenar Chamid Chamid, Soenar

De val van Sven Kramer staat voor altijd op zijn netvlies. Toen de jonge schaatser per ongeluk op een blokje trapte, gooide de coach uit woede en teleurstelling zijn rondeboek tegen de boarding. Ab Krook beschouwde de Nederlandse achtervolgingsploeg als zijn troetelkind. De 61-jarige gelegenheidscoach heeft zich in zijn lange schaatsloopbaan niet zo ongelukkig gevoeld als vorige week donderdag in Turijn, vertelt hij aan de vooravond van de tien kilometer in de catacomben van de Oval Lingotto.

'Ik heb nog nooit zo'n wij-gevoel beleefd als met dit steljongens', weet de man die de laatste dertig jaar schaatsers begeleidde. 'Ik heb altijd gewerkt met individuen die deel uitmaken van een ploeg. Als coach kon ik dolblij zijn met een wereldtitel, maar op het moment van de huldiging zat er vaak iemand anders te kniezen in de kleedkamer. Die had ook mijn aandacht nodig. Na de val van Sven voelde ik voor het eerst het ijs onder mijn schaatsen wegzakken. Vreselijk. Ik kon niet accepteren dat deze gouden groep geen gouden medaille zou gaan winnen.'

Krook was de neutrale partij die de groep rijders uit verschillende merkenteams tot een hechte eenheid moest smeden. Speciaal voor de ploegenachtervolging combineerde hij zijn vaste functie van topsportcoördinator voor een tijdelijke rol van bondscoach. Hij genoot van de spanning in de voorbereiding, van de saamhorigheid die het vijftal aan de dag legde. Na afloop van de dramatisch verlopen ploegenachtervolging - favoriet Nederland won 'slechts'brons- sprak hij de ontgoochelde rijders in een kring op het middenterrein toe. 'Ik heb ze bedankt voor hun inzet en beleving. Ondanks alles was het een geweldige ervaring.'

Net als de meeste Nederlanders behoorde hij tot de sceptici van het nieuwe schaatsonderdeel. Nu noemt hij de ploegenachtervolging een verrijking voor de traditionele sport. 'Wij zijn er van gaan houden. Toch zie ik nog ruimte voor verbeteringen. Ik heb de ISU (internationale schaatsunie, red.) voorgesteld de achtervolging in 2010 aan het eind van de Spelen te laten rijden. Dan is iedereen klaar met het individuele programma en zijn er geen rijders die hun krachten moeten sparen. Hetzelfde geldt voor de WK afstanden. En er moet een apart wereldbekerprogramma voor de ploegenachtervolging komen. Geen slap tussendoortje, maar een serieuze wedstrijd.'

Krook staat bekend om zijn bemoeizucht, die door de Nederlandse rijders overigens als een deugd wordt beschouwd. De vaderfiguur staat pal achter zijn jongens en meisjes. 'Dat zit in mijn karakter opgesloten. Als er wat gebeurt, spring ik er bovenop.' In het buitenland wekken zijn discussies met starters, ijsmeesters en scheidsrechters minder sympathie; daar vinden ze dat de KNSB (lees: Krook) een overheersende invloed heeft op de wedstrijdprocedures. Wat is hierop zijn reactie?

'Het probleem is dat de NOS alleen de Nederlanders op het middenterrein in beeld brengt. Onze discussies worden uitvergroot. De buitenlanders klagen misschien wel net zo veel, maar meer buiten de camera's om.' Met de blik van een sluwe vos vervolgt hij zijn betoog. 'Als ik de temperatuur van de schaatsvloer aan het meten ben, zorg ik altijd dat de ijsmeester kijkt. Dat kan ons later wisselgeld opleveren. Zeg nou eerlijk, die man heeft hier geen wereld-job gedaan. In de loop van het toernooi is hij gelukkig minder gaan dweilen en na de vijf kilometer zijn er geen gekke dingen meer gebeurd. Die afstand was door de wisselende ijskwaliteit bijna een loterij.'

Krook is tevreden over de prestaties van de Nederlanders in Turijn, waar de medailleoogst - er is bij de vrouwen nog één lange afstand te rijden - uit drie keer goud, twee keer zilver en vier keer brons bestaat. 'Ik ben het hele seizoen sceptisch geweest in de pers, ook om de boel wakker te schudden. Als we de balans opmaken, hebben de meiden het verrassend goed gedaan, vooral Ireen Wüst en Marianne Timmer natuurlijk, en de jongens deden het goed maar niet super. We waren verwend. De tijd van 'met twee vingers in je neus een wedstrijdje winnen' is gelukkig voorbij.'

De nivellering van het internationale hardrijden ligt niet aan het Nederlandse niveau dat onverminderd hoog is, maar aan de opkomst van nieuwe én oude schaatslanden. De Russen, Italianen, Canadezen en Amerikanen profiteren vroeg of laat van de bouw van indoorbanen die tegenwoordig bijna een vereiste zijn voor een plaats in de wereldtop. In Moskou, Turijn, Calgary en Salt Lake City liggen overdekte pistes, net als in Heerenveen waar al twintig jaar onder een dak wordt gereden. De oud-allrounder Krook, die als kind op de Loosdrechtse Plassen ('letterlijk mijn achtertuin') rechtsom in plaats van linksom leerde schaatsen, is blij met de betere omstandigheden voor de buitenlandse concurrentie.

'Onze sport is volwassen geworden. De prestatiedichtheid is in twee jaar heel erg omhoog gegaan. Wie had er in 2003 van Chad Hedrick, Shani Davis en Enrico Fabris gehoord? En de Russen willen ons bordje ook gaan leegeten. Ze hebben een groot potentieel aan schaatsers door hun klimaat en hun inwonertal. Straks liggen er drie indoorbanen. En wat dacht je van de Canadezen? Zij presteren nu redelijk tot goed, bij de Spelen in Vancouver moeten ze oogsten. Ook weer een indoorbaan erbij, prima zaak. Hoe meer schaatszielen, hoe meer vreugd.'

Minder positief praat Krook over het huidige niveau in Duitsland, waar hij tussen 1980 en 1988 bondscoach was. Hij woonde al die tijd in Inzell en zag op een dag 'een heel klein meisje als een raket voorbij komen'. Anni Friesinger was haar naam, de beste allrounder van het afgelopen decennium, maar op deze Spelen wederom teleurstellend. Oud-buurman Krook: 'Ik heb Anni bijna geboren zien worden. Over de reden van haar mindere prestaties kan ik slechts gissen. Ik weet wel dat de Duitsers jarenlang hebben geprofiteerd van de restanten van de DDR-school. Nu moeten ze het zelf doen en blijkt er geen goede jeugd meer voor handen. Doodzonde. Ze hebben twee indoorbanen en tachtig miljoen inwoners, maar Anni heeft straks geen opvolgers.'

Teamchef Krook was in het toenmalige West-Duitsland ook student aan de Sporthochschule in Keulen. Hij kreeg les van Manfred Donike, een beroemde professor in de dopingkunde. 'Ik sloeg alle kennis op, deed niets anders dan leren en luisteren. Hoe meer je weet, hoe meer je weet hoe het niet moet. Ik zat 's avonds na de college's met wereldbekende roei - en atletiektrainers aan het bier, maar wel met pen en papier in de hand. Allemaal vakidioten uit verschillende sporten die een beetje gek waren. Trainers met minder theoretische kennis zijn vaak gelukkige mensen. Ik noem geen namen. Zij hebben minder twijfels, omdat ze bij gebrek aan alternatieve ideeën één koers varen.'

Vragen over dopegebruik in de schaatssport gaat Krook niet uit de weg. Donike was tenslotte zijn leermeester. 'Die man wist waar Abraham de mosterd moest halen en hij wist ook hoe hij zijn kennis verbergen moest. Ik wilde alles van hem weten, niet om het toe te passen, maar om zaken te herkennen. Om mijn schaatsers te waarschuwen voor bepaalde gevaren. Het waren de jaren van de anabolica. Topsporters zijn altijd proefkonijnen geweest. In de DDR gingen ze daarin het verst. Daar vielen letterlijk slachtoffers. Nu heb je te maken met de gentherapieën; een Koreaanse professor die experimenteert met klonen. Levensgevaarlijke ontwikkelingen. Hoe houd je het tegen? De controleurs lopen altijd achter de feiten aan.'

Blijft de vraag waarom de Nederlandse schaatsbond, die 17.000 licentiehouders telt, met een veelvoud aan potentiële toppers niet meer kampioenen voortbrengt dan Italië waar nog geen vijftig hardrijders actief zijn. Weerkundige Krook: 'Vergeet niet dat we al tien jaar geen strenge winter hebben gehad. Op natuurijs begint de liefde voor het schaatsen. Jongeren die daar de slag te pakken krijgen, gaan vanzelf naar een kunstijsbaan. Bij mij in Loosdrecht vertrekken elke week twee bussen met kinderen naar de Vechtsebanen in Utrecht. Prachtig gezicht. Maar ik weet niet of er veel talenten tussen zitten. De KNSB zou ook veel moeten gaan scouten, zoals in het voetbal gebeurt. Zet een schaatskenner op een woensdagmiddag langs de kant en hij onderscheidt in een oogopslag het kaf van het koren.'

Krook en de KNSB hebben in meer dan dertig jaar een haat-liefde-verhouding opgebouwd. Hij hekelt het gebrek aan praktijkkennis van veel bondsleden. 'Ik vergelijk de bond wel eens met een klapcaravan. Als je hem net hebt opgezet, dondert hij al weer in elkaar.' Een ander voorbeeld: 'Waarom vinden ze pas om vijf voor twaalf een opvolger voor mijn functie van technisch-directeur? Terwijl ik mijn afscheid twee jaar geleden al heb aangekondigd en die man (algemeen sportbestuurder Hans Gootjes, red.) graag had willen inwerken. Het schaatsen zit vol met valkuilen.'

Zijn opvolger als topsportcoördinator heeft de KNSB nog niet eens in huis. 'Die functie is nog veel complexer. Je moet een echte allrounder zijn en door de verschillende sponsorbelangen heel psychologisch te werk gaan. Zoals ik met Erben Wennemars (de op non-actief gezette sprinter van Postcodeloterij vond dankzij Krook tijdelijk onderdak bij TVM, red.). Die zaak heb ik aardig opgelost, mag ik wel zeggen. Mijn opvolger moet een sterke persoonlijkheid zijn, stressbestendig en organisatorisch sterk. Hij moet in zijn eentje bestand zijn tegen de knowhow bij de merkenteams. Anders is het straks snel afgelopen met het bondsbelang.'

Ab Krook neemt volgende maand afscheid, misschien in stilte. Hij gaat zich bezighouden met plaatselijke politiek. 'Ik zal niet gemist worden. Ik stap uit de trein, de trein dendert door. Zo werkt dat in de topsport. Ik zal er geen traan om laten. Het afscheid in Inzell is me zwaarder gevallen dan mijn afscheid volgende week in Heerenveen. De Duitse jaren hebben mij als mens en als coach rijker gemaakt. Nederlandse coaches zouden meer ervaring moeten opdoen in het buitenland. Dat is een les die ik hun wil meegeven.'