Broodje van Kootje

In de buurt van het Spui, Amsterdam, kreeg ik opeens een leeg gevoel in mijn maag. Verwar het niet met de honger die in gradaties van onduldbaarheid komt, en evenmin met de trek die gericht is. Chocola. Oliebol. Een leeg gevoel in de maag heeft voor mij de luxueuze toonzetting van het vrije, onbestemde. Nog beter was het dat het me in de buurt van het Spui overkwam, want daar lag meteen de oplossing. Een bruin broodje met filet américain bij Kootje. Maar waar was Kootje? Op de plaats waar de beroemde broodjeswinkel sinds mensenheugenis had gestaan, was nu een aquarium-achtig winkeltje met achter het glas van de deur in neonletters: EVERY DAY NEW KICKS. Ik gluurde naar binnen. Voorzover ik kon zien, bestonden de kicks die dag uit frisdranken die uit hypermodern gevormde containers kwamen. De waarheid drong tot me door. Kootjes filet américain hoorde tot de geschiedenis. Verdrongen door de NEW KICKS. Het lege gevoel was over.

Kootje is begonnen op het Leidseplein, naast een winkel waar grafzerken werden verkocht. Een etalage vol grafzerken. In die tijd had je een weekblad, Mandril, genoemd naar de aap, en min of meer de Amsterdamse pendant van The New Yorker, met gevarieerde actuele praat, reportages, korte verhalen en cartoons van eigen bodem. Er verscheen een cartoon, waarop links Broodje van Kootje was getekend, en rechts een winkel die Zerkje van Derkje heette. Leuk? Beschouw het als een uiting van de tijdgeest. Nog zo'n cartoon, bestaande uit vier tekeningetjes: Herenboekje. Berenhoekje. Boerenhekje. Hoerenbekje. Er werd wat afgelachen in die tijd, zult u denken. Evenveel als nu. Iedere tijd heeft zijn eigen vorm van aflachen.

Zou ik nog willen weten waar deze Kootje was gebleven? Nee. Dit hele broodjesconcern is verdwenen. Het instituut broodjeswinkel, het specialisme van het belegde broodje staat op de rand van de vergetelheid, net als de mechanische schrijfmachine, de gewone mus, de gleufhoed, de sigaret, de hele vorige eeuw. Je hebt nog wel bedrijfjes die aan broodjeswinkels doen denken, waar je witte of bruine simpel belegde kadetjes kunt kopen, maar die zijn een klein onderdeel van een giga-assortiment, met de dagelijkse new kicks die je die onontbeerlijke, ontembare energie verlenen.

Daar stond ik op het Spui, met een gat in mijn verleden. Gelukkig staat het Lieverdje er nog, het standbeeldje van wat eind jaren vijftig de klassieke straatjongen was. Onthuld door mevrouw Van Hall, echtgenote van de burgemeester en aangeboden door de Hunter Sigarettenfabriek. Ha! Hunter! Heerlijk! De zon scheen in de etalages van de Athenaeum boekwinkel en het Nieuwscentrum. Het Spui hoorde weer tot mijn buurt.

Zo kom ik terzake. Iedere grote stad is verdeeld in buurten. Als je je wilt identificeren, noem je eerst de naam van je stad. Blijkt de andere partij uit dezelfde stad te komen, dan vraagt hij: welke buurt? Tref je een buurtgenoot, dan raak je niet meer uitgepraat. Mijn buurt van na de oorlog is het centrum van Amsterdam, ongeveer van de Westermarkt via de Raadhuisstraat en de Nieuwezijds Voorburgwal langs het Spui en de Langebrugsteeg naar de Oudemanhuispoort, terug langs het Rokin, door een zijweg naar de hoek van de Dam en de Paleisstraat. Eerst was het de route van waar ik woonde naar de unversiteit, daarna de redactie van de krant met ruime omgeving.

De kranten fuseerden of werden opgeheven, en als ze bleven bestaan verhuisden ze, net als veel andere bedrijven, naar beter toegankelijke gebieden, ver van het centrum. Natuurlijk werd de vrijgekomen ruimte meteen gevuld, en net als in andere oude steden gebeurde dat door de toeristenindustrie. Die is weer overal in de greep van de democratisering, wat in dit geval wil zeggen: prooi van de inflatie van de fun. En in Amsterdam is het nu eenmaal zo gesteld dat de meeste toeristen hun toppunt van fun beleven op de Walletjes. Het walletjeswezen heeft zich dus onweerstaanbaar uitgebreid. De Spuistraat en de stegen naar het Singel tussen de Martelaarsgracht en de Raadhuisstraat worden onweerstaanbaar verder door het hoerendom veroverd. Een meerderheid van het stadsdeelbestuur blijkt dat als een verworvenheid te beschouwen. Daar is blijkbaar niets aan te doen.

De Amsterdamse nederzetting van deze krant is ook herhaaldelijk verhuisd, maar tot een paar jaar geleden altijd binnen dezelfde buurt waarvan ik de begrenzing hierboven heb beschreven. Ten slotte zijn we aan de Herengracht terechtgekomen, tussen de Vijzelstraat en het Thorbeckeplein. Daar kom je veel stomdronken Britten en sufgeblowde Italianen en Fransen tegen. Onlangs heeft de burgemeester een kroeg om de hoek laten dichttimmeren. Soms krijg ik heimwee naar mijn oude buurt, loop die tien minuten verder, om een kop koffie te drinken in een bekend café. Dat doe ik niet meer sinds ik hoorde dat al die cafés eigendom zijn van een Groningse horecatycoon. Nu kwam ik er weer eens in de buurt. Dacht: broodje van Kootje. Nee. Every day new kicks. Die verzorg ik zelf. De oude buurt is gesloten.