Brandgans trekt liever niet meer weg naar het noorden

Steeds meer brandganzen trekken in het voorjaar niet meer naar het noorden. Van de 100.000 brandganzen die in Nederland overwinteren broeden tegenwoordig zo'n 7000 paartjes niet meer op de noordelijke toendra, maar liever in Zeeland. Het eind van die trend is nog niet in zicht, zo voorspelt Sandra van der Graaf die op 10 februari in Groningen promoveerde.

Brandganzen (Branta bernicla) grazen op de vorstgrens. Ze eten bij voorkeur het malse, voedselrijke jonge gras dat bij temperaturen net boven het vriespunt groeit. In de loop van het voorjaar, als het gras in Nederland wat ouder en taaier wordt, trekken de ganzen richting Zweden, waar de dooi later invalt, en vervolgens verder naar hun broedgebieden op Nova Zembla, waar ze arriveren juist als de sneeuw verdwijnt. Het volgen van die 'groene golf' van jong gras zou de belangrijkste reden zijn voor de ganzentrek.

Maar volgens Van der Graaf krijgen ganzen steeds minder reden om die groene golf te volgen aangezien de kwaliteit van de Nederlandse graslanden ook op onze buitendijkse kwelders in natuurgebieden, waar brandganzen graag grazen, de laatste decennia enorm is verbeterd. Door de overbemesting van de delta is het water dat van tijd tot tijd de kwelders overstroomt steeds voedselrijker geworden. Daardoor krijgt het kweldergras een steeds hogere voedingswaarde. In de jaren '80 verschenen de eerste Nederlandse broedkolonies van Branta bernicla. Vermoedelijk is de trend al in de jaren zeventig begonnen in Zweden, waar deze trekvogels onderweg een tussenstop houden. Ze broeden daar op kleine eilandjes voor de kust van het grote eiland Gotland midden in de Baltische zee.

Inmiddels zijn zulke eilandjes en zandplaten vlak voor de kust ook bij de Zeeuwse deltawerken ontstaan. Daar broeden nu brandganzen. Naarmate die eilandjes door vossen en andere roofdieren worden ontdekt zullen ze minder aantrekkelijk worden. Door niet op trek te gaan sparen de ganzen in elk geval veel energie uit. Een brandgans die in het voorjaar uit de Waddenzee vertrekt, weegt gemiddeld 2300 gram, bij aankomst op de toendra hooguit 1750 gram.

Op Gotland onderzocht Van der Graaf het voedselpatroon van de ganzen. Via kleine bemestingsproefjes toonde ze aan dat de dieren inderdaad een voorkeur hebben voor voedselrijker gras. Uit proeven met minikasjes bleek dat de grasgroei bij een temperatuurverhoging van ongeveer 1 graad Celsius ongeveer een week eerder op gang komt.

Brandganzen die nog wèl op trek gaan, vertrekken in warme lentes inderdaad een tot enkele weken eerder uit de Waddenzee. Waarschijnlijk bivakkeren ze dan wat langer op hun tussenstations, van waaruit ze de toestand op de toendra beter kunnen peilen.Het loont niet om extra vroeg in de broedgebieden aan te komen, omdat een graadje temperatuurverhoging op de toendra blijkbaar een minder uitgesproken effect op de grasgroei heeft dan in de Waddenzee.

Marion de Boo