Aso toont nieuwe Japanse gezicht

De toonzetting van de Japanse diplomatie is verscherpt sinds het aantreden van minister Taro Aso. Alle buurlanden beklagen zich over zijn provocaties.

Minister Taro Aso Foto Reuters German Foreign Minister Frank-Walter Steinmier (R) smiles with Japanese counterpart Taro Aso before their meeting at the Foreign Ministry's Iikura guest house in Tokyo February 21, 2006. Steinmeir said on Tuesday he did not rule out economic sanctions against Iran in the standoff over its nuclear ambitions. REUTERS/Issei Kato REUTERS

Dertig jaar geleden vertegenwoordigde kleiduivenschutter Taro Aso zijn vaderland op de Olympische Spelen in Montreal. Tegenwoordig heeft de inmiddels 65-jarige Aso heel andere doelen voor ogen. Afgelopen oktober benoemde de Japanse premier Junichiro Koizumi hem tot minister van Buitenlandse Zaken, en sindsdien is hij er in geslaagd om alle buren in Azië tegen zichin het harnas te jagen.

Taro Aso is het nieuwe gezicht van de Japanse diplomatie: niet langer timide, maar confronterend.

Al direct na zijn aantreden verklaarde Aso ongevraagd en onverbloemd dat Noord-Korea én China de grote militaire bedreigingen vormen in Azië. Maar de afgelopen weken lijkt hij pas echt warm gedraaid. Hij vindt, provoceerde hij, dat de Japanse keizer voortaan (net als de premier) een bezoek moet brengen aan de omstreden Yasu-kuni-tempel in Tokio. In die tempel eert Japan zijn oorlogsslachtoffers, tot woede van met name China en Zuid-Korea ook ter dood veroordeelde oorlogsmisdadigers.

Vorige week wist Aso zelfs de verontwaardiging op te wekken van bondgenoot Taiwan met de opmerking dat het goede onderwijsniveau op het eiland te danken is aan de vroegere koloniale bezetters - de Japanners.

Zozeer is Aso geslaagd in zijn missie om het traditioneel bescheiden karakter van de Japanse diplomatie van zich af te schudden, dat hij in feite persona non grata is bij de buurlanden. Voor het eerst sinds Koizumi's laatste bezoek aan de Yasukuni-tempel, in oktober vorig jaar, praatten China en Japan deze week op hoog niveau met elkaar. Maar het was veelbetekenend niet Aso - die begin deze week nog de zelfmoord van een Japanse diplomaat in Shanghai weet aan chantage door de Chinese geheime dienst - maar zijn ambtgenoot van Economische Zaken, Toshihiro Nikai, die in Peking zijn opwachting mocht maken bij de Chinese premier Wen Jiabao. Wen onderstreepte in het gesprek hoe spijtig het is dat 'sommige (Japanse) leiders tot op de dag van vandaag geen correcte inschatting kunnen maken van de Chinees-Japanse geschiedenis', deed minister Nikai na afloop verslag tegenover journalisten.

Aso intussen had in eigen land alweer de aandacht op zich gevestigd door een rel met Moskou. De Russische regering liet weten niet erg ingenomen te zijn ('inmenging in binnenlandse aangelegenheden') met Aso's terloopse opmerking van afgelopen weekeinde dat het van groot belang is dat de bewoners van de vier zuidelijkste eilanden van de Koerilen Japanse televisiezenders kunnen ontvangen. Zo zouden ze met eigen ogen kunnen vaststellen dat het levensniveau in Japan vele malen hoger ligt dan in Rusland. De kwestie is precair omdat Tokio vindt dat de eilanden Japans zijn. Om die reden hebben Japan en Rusland nog steeds geen vredesverdrag.

Met dergelijke provocaties maak je als minister van Buitenlandse Zaken weinig vrienden, maar wellicht is dat juist de bedoeling. In diplomatiek opzicht mag Aso dan een ongeleid projectiel lijken, Koizumi heeft hem niet voor niets op Buitenlandse Zaken gezet. Vorig jaar poogde Japan, een van de grootste hulpdonors in de wereld, een permanente zetel te verwerven in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Juist doorChina en Zuid-Korea werd die kandidatuur openlijk getorpedeerd. Vooral door deze ervaring lijkt de regering onder leiding van de LDP gefrustreerd geraakt. Zij heeft kennelijk de conclusie getrokken dat diplomatieke terughoudendheid, met het oorlogsverleden in het achterhoofd, Japan niet verder helpt. En dat het daarom van belang is zich voortaan assertiever op te stellen in de internationale arena.

Aso, die wordt beschouwd als een van de kandidaten voor de nabije opvolging van premier Koizumi, is bij uitstek geschikt om de nieuwe, harde Japanse diplomatie gezicht te geven. In Japan is het beroep van politicus vaak erfelijk bepaald, en wat dat betreft zit Aso goed. Zijn geloofsbrieven gaan vier generaties terug. Zijn betovergrootvader was een van de drie helden van de Meiji-revolutie (1868), die de aanzet gaf tot de grootschalige modernisering van Japan, en zijn grootvader en schoonvader dienden beiden als premier. Zelf studeerde hij aan de elite-universiteit waar keizer en adel opgeleid werden. Zijn zus is ingetrouwd in de keizerlijke familie.

Maar zijn voorname achtergrond is juist niet waarop Aso zich laat voorstaan. Net als in zijn diplomatieke stijl heeft hij zich de afgelopen decennia als politicus steeds als man van het volk gepresenteerd. Hij koestert zijn wortels in het landelijke Fukuoka en zijn illustere voorvaderen blijven ongenoemd in tegenstelling tot het cementbedrijf van de familie, waar hij zelf ook zes jaar de scepter over zwaaide voor zijn overstap naar het parlement in 1979. Over de kennis opgedaan aan elite-instituten als Stanford en London University zal je hem ook niet horen, hij gaat liever prat op zijn voorliefde voor stripverhalen. Bovendien houdt hij er een woordgebruik en tongval op na die gedeeltelijk verklaren waarom hij in weblogs op het internet de koosnaam yakuza (maffioso) meekrijgt.

Het is wel zeker dat de Chinese premier Wen ook hem bedoelde toen hij deze week verwijtend wees op het ontbreken van het juiste historische besef bij sommige Japanse leiders. Maar Aso laat zich daardoor niet van zijn stuk brengen.