'Ze moeten in de mist lopen'

De nieuwe roman van Kees 't Hart gaat over een bureaucraat die denkt als een dichter en over het verlangen naar het verlangen. 'Hij bereikt zijn doel nooit. Dat vind ik een prachtig literair gegeven.''

Kees 't Hart thuis Foto's Vincent Mentzel Bureau van Kees 't HART ,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Den Haag, 17 februari 2006 Mentzel, Vincent

Kees 't Hart is niet alleen de schrijver maar ook de hoofdpersoon van De krokodil van Manhattan. Hij is een mislukte dramaturg die een managersfunctie heeft aan een HBO-instelling in Leeuwarden. Deze enigszins onbenullige figuur wordt een weekje naar New York gestuurd om te onderzoeken hoe de dansopleiding van de befaamde Juilliard School eruit ziet. Romanfiguur 't Hart denkt dat de kunstopvattingen op Juilliards berusten op een theorie van Mark Twain, waarvan hij diep onder de indruk is. Wat je dansers moet bijbrengen, alle kunstenaars trouwens, is een 'verlangen naar verlangen'.

De schrijver Kees 't Hart en het romanpersonage hebben het nodige gemeen. De auteur raakte bij een dichtersfestival in New York in 2000 onder de indruk van de toen 95-jarige Stanley Kunitz, die zijn voordracht eindigde met zijn beroemdste liefdesgedicht 'Touch Me'. Daarover publiceerde 't Hart een artikel in De Groene Amsterdammer en hij drukte het gedicht er integraal bij af. Enkele strofes, zoals: 'What makes the engine go/ Desire, desire, desire/ The longing for the dance', kreeg hij nooit meer uit zijn hoofd, schreef hij.

Vormen deze regels de kern van de roman? 't Hart hoeft niet lang te aarzelen: 'Het klopt niet helemaal , maar inderdaad heeft De krokodil van Manhattan veel met dat gedicht van doen. Door het hele boek heen heb ik eruit geciteerd. Die kunstopvattingen van mijn hoofdpersoon over verlangen naar verlangen, het uitstellen van talent en ervaring, de aanraking en het offer dat de kunstenaar moet brengen, zijn voor een deel pathetische wartaal, maar hij zit wél op een spoor.'

Gretig vertelt de schrijver over de ontstaansgeschiedenis van zijn boek en de wederwaardigheden van hoofdfiguur 't Hart. Het boek is gebaseerd op de Amerikaanse reis die de nu 61-jarige 't Hart met zijn vrouw Euf, schilderes en voormalig danseres, maakte. Op Manhattan huurden ze een met bizarre snuisterijen volgeplempt appartement van een antiekhandelaar, en bezochten ze in Elmira het graf van Mark Twain. Op deze elementen is de overigens van wilde fantasieën aan elkaar hangende roman gebouwd.

In zijn etage van het Haagse huis waar hij sinds hun recente verhuizing uit Leeuwarden met zijn echtgenote woont, haalt hij een fotoalbum te voorschijn. 'Kijk dit is het appartement van Theo de antiekhandelaar, waarin zich mijn roman afspeelt. Vraag me niet waarom hij zich in mijn boek 'de krokodil van Manhattan' noemt - dat weet ik zelf niet. Er gebeurt zoveel waar mijn hoofdpersoon en ik niets van begrijpen. Ik was in New York met vakantie zonder dat ik het idee had: hier ga ik een roman van maken. Tot ik jaren geleden het verzoek van De Gids kreeg om een verhaal te schrijven. Ik wist niets en dacht: weet je wat, ik ga die Theo beschrijven. Uiteindelijk is het als verhaal van tien pagina's in De Revisor terecht gekomen. Er bleken nog zoveel rare zijlijntjes aan vast te zitten dat ik er een roman in zag.'

Een roman die kennelijk slechts in schijn over de danskunst gaat, maar die in wezen schrijven tot onderwerp heeft en het verlangen dat de echte Kees 't Hart tot uitdrukking probeert te brengen. Of moeten we het verhaal over de krankzinnige zoektocht van de fictieve Kees naar ervaringen en ideale kunstopvattingen letterlijk nemen? 'Bij Mark Twain zijn die kunstopvattingen, anders dan ik het in het boek voorstel, niet te vinden. Hij heeft zich nauwelijks over theater uitgelaten. Het gedicht van Kunitz heeft me wel ontzettend geraakt. Zo diep, dat ik het niet wilde opnemen in de roman, dat zou te dicht bij komen. Dus heb ik als een soort grap Mark Twain erbij gesleept, voor wie ik een ziekelijke bewondering heb.'

Het onvermogen om ervaringen te grijpen op het moment dat ze zich voordoen en het intense verlangen binnen te dringen in werelden waarvan hij is buitengesloten, zijn thema's die in het werk van Kees 't Hart vaak terugkeren. In zijn deels autobiografische roman De revue (1999), maar ook in Het mooiste leven... over de voetbalclub Heerenveen uit 2001, naar eigen zeggen de ultieme poging van een intellectueel om in een andere wereld binnen te komen.

In De krokodil van Manhattan probeert een manager beroepshalve in aanraking te komen met kunstenaars, maar hij (her)kent hen niet en is dus niet in staat tot echt contact. 'Verlangen, aanraking, de touch, intimiteit: mijn romanheld Kees 't Hart verlangt daarnaar en ook weer niet. Hij belichaamt het onvermogen om dingen te ervaren, terwijl hij verlangt naar intimiteit, naar hogere aanrakingen. Ik herken dat. Terwijl ik a-godsdienstig ben, anti-godsdienstig zelfs, voel ik een zeker verlangen naar rituele omstandigheden. Dat lukt mijn hoofdpersoon niet. Hij is buitenstaander, zoals al mijn hoofdpersonen. Ze doen voortdurend pogingen ergens binnen te komen. Mee willen doen, ook in erotisch opzicht, niet aan de buitenkant van erotiek blijven, in staat zijn tot echte intimiteit. In De revue heeft de hoofdpersoon een relatie met een vriendinnetje dat hij niet mag penetreren. In mijn nieuwe boek gaat de hoofdpersoon wél met een vrouw naar bed, maar ook tot haar heeft hij niet echt toegang. Hij dringt niet door tot de Amerikanen, of tot Theo bij wie hij logeert, Mark Twain snapt hij eigenlijk niet goed en Nobelprijswinnaar Derek Walcott herkent hij niet.'

Het boek is ook een ode aan de Amerikaanse balletmeester en mede-oprichter van het Nederlands Danstheater, Benjamin Harkarvy (1930-2002). In diens visie en onderwijspraktijk was de aanraking of 'touch' cruciaal. 'In de roman wordt een mythologie opgebouwd waarin de 'touch' een centrale plaats in neemt. Harkarvy wordt een mythe in het boek.' De fictieve Kees 't Hart haalt in De krokodil van Manhattan de vreemdste capriolen uit om Harkarvy te ontmoeten, waar hij ondanks de evidente aanspreekbaarheid van de balletmeester niet in slaagt.

'Het lukt mijn personage niet omdat hij jaagt op een illusie, de witte walvis uit Moby-Dick. Hij mág hem niet ontmoeten omdat zijn verlangen naar Harkarvy een verlangen moet blijven. Net als in Het slot van Kafka bereikt de held zijn doel nooit. Dat vind ik een prachtig literair gegeven. Je kunt je doel niet bereiken. Het moet blijven bij een verlangen naar verlangen.'

Het lukt hem óók niet omdat de Kees 't Hart in de roman verregaand onnozel is. 'Hij kan inderdaad niets herkennen, niets in een kader plaatsen, dus kan hij ook geen ervaringen opbouwen, terwijl hij wel een programma wil maken dat gebaseerd is op het opbouwen van ervaringen. Hij komt daar niet uit - hij is een beetje een warhoofd. Als hij er tijdens het poëziefestival in Bryant Park achterkomt dat de man met wie hij een avond heeft doorgebracht de Nobelprijswinnaar Derek Walcott is, schaamt hij zich kapot.'

De Kees 't Hart in het boek is dan ook manager, een tamelijk inhoudsloze bureaucraat. Is de roman ook bedoeld als kritiek op de opmars van ondeskundige beleidsmakers in het Hoger Beroeps Onderwijs, waar de echte 't Hart jarenlang als docent werkte?

'Voor een deel wel, ik heb zoals iedereen ook te maken gehad met die organisatietypes. Maar ik wilde die kritiek niet leveren vanuit een soort hippie-opvatting waarin alle managers klootzakken zijn. Ik wilde een organisatietype neerzetten dat gelooft in rationeel plannen, maar daar volkomen tegenstrijdig mee omgaat. In mijn hoofdpersoon strijden twee zielen met elkaar: een managersziel en een dichtersziel. Hij haat poëzie, maar ondertussen opereert hij aan alle kanten als een dichter. Hij scheldt op dichters, hij spuugt zelfs op de grond in het Juilliard - maar ondertussen is hij bezig met verlangen en het zoeken naar intimiteit.'

De krokodil van Manhattan is ook een roman over het schrijven zelf. 'Schrijven is het hoogste dat er bestaat. Ik kijk er met eerbied naar, als naar een ritueel waarvan ik deel wil uitmaken. Niet van een schrijversgemeenschap, maar van de literatuur als zodanig, omdat ik daarin geloof. Ik schrijf wel eens valse literaire recensies over boeken waar ik echt kwaad om word. Donder toch op, denk ik soms. Dan heb ik het over schrijvers van wie ik veronderstel: ze vatten literatuur niet als het hoogste op.

'Romans van schrijvers die opereren met personages die het al weten en alleen nog maar hoeven te worden ingevuld, vind ik totale rampboeken, conceptjes. Ik wilde een roman maken over iemand die in de mist loopt en zich zelf afvraagt: wat gebeurt hier? 'Something is happening here/ But you don't know what it is, do you mr. Jones?'Ik wou niet onmiddellijk met Bob Dylan aankomen, maar ik vind deze regel van hem een goede metafoor voor mijn schrijverschap. Mijn personages moeten in de mist blijven lopen. Het mag niet opklaren, ze moeten blijven verlangen naar inzicht of helderheid.''