Weekboek 8

Arthur Japin en De Artapappa's van J.B. Schuil

In het februari-nummer van literair tijdschrift De Gids valt jurist Fokke Fernhout schrijver Arthur Japin hard aan. Voor zijn boek De zwarte met het witte hart zou Japin elementen ontleend hebben aan het jongensboek De Artapappa's (1920) van J.B. Schuil. Dat boek wordt door Fernhout uitgegeven.

De zwarte met het witte hart vertelt het verhaal van twee Ashanti-prinsjes die in de 19de eeuw naar Nederland gehaald werden. Volgens Fernhout gaat Schuils De Artapappa's ook over deze twee prinsjes, hoewel Schuil dat zelf nooit heeft gezegd. In een interview verzuchtte Japin over dat boek: 'Ach, dat vervelende boek weer. Dat heeft toch helemaal niets met de historie te maken. Mijn boek is waar en De Artapappa's is helemaal verzonnen.'

Fernhouts hypothese is dat Schuil het verhaal hoorde uit de mond van een van de klasgenootjes van de prinsjes. En hoewel Schuil zijn personages in een andere tijd plaatste, zou zijn boek toch dichter bij de waarheid liggen dan De zwarte met het witte hart. Dat is 'ridicuul', volgens Japin: 'Ik heb ooit iets lelijks gezegd over De Artapappa's en dat is Fernhout in het verkeerde keelgat geschoten. Maar ik denk dat hij niet goed begrepen heeft hoe je een historische roman schrijft. Eerst probeer je de historische feiten zo goed mogelijk te achterhalen. Dan haal je het verhaal naar je toe, bijvoorbeeld met autobiografische elementen. Vervolgens vul je de hiaten met je eigen fantasie in. Het boek van Schuil heb ik pas gelezen toen mijn boek allang klaar was.'

Volgens Fernhout was Japins bronnenonderzoek minder uitvoerig dan deze altijd heeft doen voorkomen. Het grootste deel van De zwarte met het witte hart zou gemakkelijk via drie wetenschappelijke artikelen terug te vinden zijn. Bovendien is Japin slordig met zijn bronnen omgesprongen. Zo citeert hij netjes uit het reisverslag van 'Officier der Nederlandse Zending' Van Drunen, maar neemt ook wel eens een zin van Van Drunen in zijn eigen tekst op. Japin: 'Die beschuldiging had ik nog niet eens gezien. Zelfs als het zo zou zijn: als schrijver neem je de lege feiten en die blaas je nieuw leven in. '

Nieuwe kans voor het slechtste boek van het land

Rond 15 maart, het begin van de Boekenweek, wordt de Gouden Doerian uitgereikt, de onderscheiding voor het slechtste boek van Nederland. Vorig jaar werd ook al een poging gewaagd om een boek met de stinkvrucht te bekronen. De onderneming ging toen snel ten onder in het verontwaardigd tumult van uitgevers, schrijvers en recensenten. Twee juryleden haakten voortijdig af. Vrij Nederland-recensent Jeroen Vullings wilde niet meer meedoen toen bleek dat er boeken op de longlist stonden die hij positief besproken had. Boekhandelaar Jaap van Straalen trok zich terug na kritiek van Joost Zwagerman in deze krant.

Dit jaar maakt de Doerian een nieuwe start onder leiding van Fabian Stolk, universitair docent moderne Nederlandse letterkunde. Van de oorspronkelijke jury is alleen schrijver Adriaan Jaeggi overgebleven. 'Dat er geen boekhandelaren of literaire critici meer in de jury zitten maakt het een stuk rustiger,' legt Stolk uit. 'Hoewel Hans Bousie ons op de website van Boekblad heeft gesmeekt om het niet te doen. Boeken zijn de kinderen van schrijvers, dus die mag je niet al te zwaar kritiseren. Maar wij zijn geen kindermoordenaars, meer een soort consultatiebureau. Het is opmerkelijk hoe gevoelig dit ligt. We hadden eigenlijk Knielen op een bed violen van Jan Siebelink willen nomineren, of een ander makkelijk slachtoffer. Maar daar krijg je geheid stennis mee.' De boodschap is en blijft ernstig: 'Er verschijnen stapels boeken, en daar zit heel veel rommel tussen. Maak die zeef wat fijner, kies zorgvuldig wat je uitbrengt en wat niet.'

Een meesterwerk over een meesterproef

Onlangs is het eerste standaardwerk over 18de-eeuwse Nederlandse boekbanden verschenen: Dutch Decorated Bookbinding in the Eighteenth Century. Kunsthistoricus Jan Storm van Leeuwen, gepensioneerd conservator boekbanden van de Koninklijke Bibliotheek, draagt hiermee zijn levenswerk over. 'Dit is als het ware mijn testament. Vanaf nu moeten de mensen het zelf kunnen doen.' In 3100 pagina's en 10.000 wrijfsels van boekband-ornamenten heeft Storm van Leeuwen al zijn kennis vastgelegd. 'Het boek was vroeger kostbaar, mensen waren er veel meer aan gehecht dan tegenwoordig. De luxe banden die ik sinds 1972 bestudeerd heb, staan tussen boek en kunst in. Boekbinders hadden echter geen hoge dunk van zichzelf en signeerden hun werk meestal niet. Het enige spoor zijn de ornamenten. Die werden in messing stempels gestoken, en die stempels zijn uniek. Vandaar de 10.000 wrijfsels in mijn boek: aan de hand daarvan kunnen mensen zelf hun boekband identificeren.'

Vlak voor zijn pensioen deed hij de vondst van zijn leven. 'Boekbinden was een ambacht; leerlingen moesten dus een meesterproef afleggen zoals in ieder gilde. Uit bewaard gebleven gilde-reglementen hadden we een idee van hoe zo'n meesterproef eruit moest zien. Maar we hadden er nooit een gevonden.' Tot in 2004 een Nederlandse antiquair hem een gildeproef presenteerde. Het was een rijk versierde boekband van een Zweedse boekbinder, Suenonius Mandelgreen. 'Op de voorkant staat zijn naam, en dat dit zijn meesterproef is. Dan staat je hart even stil. Binnen een dag had ik het aangeschaft voor de Koninklijke Bibliotheek.'