Onze vader zweeg in zeven talen

Een afschrikwekkender woord dan holocaust bestaat er niet. Het verplettert je onder zijn gewicht, het trekt iedereen die zich ermee inlaat diep, diep in de drek. Des te verrassender dat een hele generatie joods-Duitse schrijvers zo'n lichte toon aanslaat. Gila Lustiger en Eva Menasse, Peter Stephan Jungk en Irene Dische: deze kinderen en kleinkinderen van overlevenden klampen zich vast aan de lach. Ze willen niet zielig zijn, ze leven met volle teugen, de tragiek van hun ouders en grootouders kan hen niet klein krijgen.

Grijpt een oudere auteur als George Tabori nog naar de galgenhumor om het gruwelverleden te lijf te gaan, zijn jongere lotgenoten hebben het bij dat soort humor horende moralisme afgezworen. Hún Witz wijst niet terecht. Hún grappen doen minder pijn. Ze schrijven allemaal familieromans, Jungk en Dische en Lustiger en Menasse. Hun families hebben hen gemaakt tot wie ze zijn: zij storen zich niet aan taboes. Sterker nog: juist de taboe-thema's van hun families fascineren hen. Waarover niet gesproken mag worden, daarover schrijven zij.

De optelsom van roman plus familie reconstrueert wereldgeschiedenis op het intiemste niveau. Drie generaties omvatten algauw een eeuw en dan krijg je vanzelf een overzicht van een tijdperk. In de jaren tachtig en negentig was de familieroman passé. Hij werd geassocieerd met traditionalisme en conservatisme, met zelfvoldane burgerlijkheid en een breedvoerige, saaie stijl. Maar geïnspireerd door de familiesaga's van Amerikanen als Jonathan Franzen, Jeffrey Eugenides en Richard Powers is ook in München, Berlijn en Wenen het genre herontdekt.

Zo doortimmerd als Thomas Manns Buddenbrooks zijn de nieuwe familieromans niet meer. Ze zijn flodderiger, vluchtiger, minder voor de eeuwigheid geschreven. Een slonzig, babbelig geluid is bij de dames zelfs tot waarmerk verheven. Geen sentimenteel gedoe maar bruisende brutaliteit. Daarin gaat Irene Dische het verst. Haar verhalenbundel Fromme Lügen (1989) choqueerde politiek-correct Duitsland en haar nieuwe roman Grossmama packt aus overtreft aan oneerbiedigheid nog dat debuut. Grootmama pakt inderdaad uit. Bijvoorbeeld over Irene: een vrouw aan wie zij zich mateloos ergert. Niettemin heeft ze schik in haar lastige kleindochter. 'Het verschil tussen ons', zegt ze monter, 'zit 'm alleen in het feit dat ik mijzelf mijn leven lang wilde verbeteren terwijl zij daar geen enkele reden toe zag.'

Oma Elisabeth Rother is een vat vol zorgvuldig gekoesterde tegenstrijdigheden. Ze heeft een hekel aan joden maar is wel met een jood getrouwd. Ze interesseert zich niet voor politiek maar speelt wel een spelletje met de Gestapo. Ook haar man doet dingen die elkaar tegenspreken. Overdag steriliseert de chirurg Carl Rother geestelijk gehandicapten en 's avonds klaagt hij die praktijk in epistels aan de Kerk aan. Want hoewel zijn verwanten peijes dragen is hij een vrome katholiek. Hij waant zich veilig in Duitsland: is hij geen voorbeeldige burger, geen Ehrenarier? Zijn vrouw vertrouwt het niet. Al heeft zij met andere culturen dan de Duitse bitter weinig op, toch stuurt zij haar Carlchen naar het buitenland.

Eén broertje

Naar Amerika, anno 1938. In New York mislukt zijn nieuwe bestaan, tot vrouw en dochter overkomen. Het zijn de enige mensen die Carl nog op de wereld heeft. Na de oorlog is er van zijn omvangrijke familie maar één broertje over, een diefachtig ventje met wie Carl niets te maken wil hebben. Zo blijkt zelfs de poging tot het schrijven van een familieroman een paradoxale onderneming. Er ís immers geen familie meer. Nou ja, háást niet, dan. Carl en zijn van seks afkerige vrouw gehoorzaamden niet aan het bijbelse gebod om heen te gaan en zich te vermenigvuldigen. Of, in Elisabeths woorden: 'Dat mijn kleindochter zo moeilijk is ligt vooral aan Carls geringe spermadichtheid.' 'Het echtpaar Rother krijgt dus maar één kind en zij moet een complete familie compenseren. Samen met háár kind. Maar de twee rebelleren tegen hun rol. Tegen de adviezen van Elisabeth (je niet afgeven met mensen onder jouw niveau en nooit met een jood trouwen), tegen de Amerikaans-Duitse burgerlijkheid en tegen de vrome leugens van de over-aangepaste Carl. Irenes moeder kampt met huwelijksproblemen en Irene zelf loopt weg.

Door het filter van grootmoederlijke verontwaardiging zingt de schrijfster een lofzang op haar opstandige jeugd in de jaren zestig. Het nu eens grappige en dan weer geforceerde rollenproza beschermt haar tegen emoties. De verhalen in Vrome leugens over een emigrantenfamilie die haar joodse afkomst zozeer verloochende dat de dochter meende een kleinkind van Adolf Hitler te zijn: die verhalen maakten terecht korte metten met vals medelijden. Maar in Grossmama packt aus is Dische doorgeschoten naar een gevoelloosheid die de lezer ondanks de spitse formuleringen uiteindelijk afstompt.

Hoe anders is dat bij Gustav Rubin, het literaire alter ego van Peter Stephan Jungk. Kennelijk moest Peter Stephan zijn eigen vader, de in 1994 gestorven atoomgeleerde, publicist en toekomstonderzoeker Robert Jungk, van zich afschrijven. Die Reise über den Hudson is een tragikomisch gevecht van een zoon met zijn verwekker. De zoektocht van de mens naar een eigen weg, onafhankelijk van bepalingen door religie en familie, is bij Jungk junior het verlichte doel.

Wat niet betekent dat deze schrijver een nuchtere rationalist is die het geloof heeft afgezworen. Natuurwetenschappers hebben vaak een antenne voor het bovennatuurlijke. En Gustav Rubin die die wetenschappen met de paplepel ingegoten kreeg is gevoelig voor boodschappen van gene zijde. Zijn dode vader verschijnt aan hem. En hoe. Poedelnaakt drijft Ludwig David Rubin in de Hudson, waarbij zijn geslacht bij wijze van provocatie uit het water priemt.

Gustav ziet pa als hij in de file staat. Precies boven de Hudson in de staat New York. Hij stapt uit de auto die hem naar het huis van zijn vrouw moet brengen, hij buigt zich om een luchtje te scheppen over de brugleuning en dan wordt hij door die enorme vadergestalte daar beneden aan zijn jeugd herinnerd. Aan de reus die zijn vader toen al was, op intellectueel gebied. Aan zijn niet minder dominante moeder. Als 'een siamese drieling' zaten zij aan elkaar vast. En dat zitten ze nóg wanneer de tot middelbare leeftijd aangewassen Gustav begint te vertellen.

Reddingsboei

De ouders die ternauwernood aan de vernietiging zijn ontkomen omarmen hun kind als een reddingsboei. Gustav moet hun het geluk teruggeven dat de nazi's hen hebben ontnomen. Een neurotiserende eis. Hoe ouder Gustav wordt, des te meer stelt hij zijn ouders teleur. In plaats van wetenschapper werd hij een bonthandelaar. En hij trouwde met een orthodoxe vrouw die hem eronder hield. Niet uit protest maar uit wanhoop leidt de zoon van avontuurlijke Oostenrijks-joodse emigranten een traditioneel bestaan. Een romance met de pilote van het vliegtuig uit Wenen redt hem - en zorgt voor een kitscherig einde. Dat is het enige smetje op dit verder zo vermakelijk-bitse boek.

Ook de vader van Eva Menasse kwam uit Oostenrijk. Ook híj overleefde in het buitenland. In 1938, op zijn achtste, was Hans Menasse op een van de laatste kindertransporten naar Engeland gezet en hij bleef er tot 1947. Toen hij naar Wenen terugkeerde moest hij eerst weer Duits leren. Intussen ontwikkelde de joodse jongen zich tot een profvoetballer die in heel het antisemitische Oostenrijk op handen werd gedragen.

Interessante stof. Eva's broer Robert Menasse wist er in zijn boeken wel raad mee. Maar Eva Menasse verkwanselt haar materiaal. De auteur van het chic klinkende Vienna vindt geen vertelperspectief, ze verschanst zich achter een ik zonder gezicht of naam. Ook de andere personages blijven naamloos, wat voor verwarring zorgt. En nooit zeggen zij eens gewóón iets, er wordt altijd 'gegiecheld', 'gejengeld' of 'geschreeuwd'. Waarbij de voorkeur voor paradox en pointe die Menasse met Lustiger en Dische deelt, in een anekdotische mist oplost.

Daaruit doemen op: een joodse grootvader met een hang naar zijsprongen en succesloze zaken, een koele grootmoeder die gepassioneerd bridge speelt, een zoon die onder de bridgetafel op een bontjas wordt geboren en een nondescripte dochter. Menasses Wenen bestaat uit bridgerondes en koffiehuizen, uit door de familie beheerde volkse winkels en uit de tennisclub. Dagen en weken en maanden, vele bladzijden achtereen, brengt het kind Eva er met haar ouders door, genietend van zon en roddel. Wat een satire op burgerlijke zelfgenoegzaamheid en de joodse drang om zich daarnaar te voegen had kunnen worden, mondt uit in de even zoute- als oeverloze schets van een truttig oord.

Saboteren

Opmerkelijk genoeg is juist deze roman in het Nederlands vertaald. Jungk verdient er een. Of Gila Lustiger. 'Gij zult niet over gevoelens spreken', luidde het eerste gebod in Lustigers ouderlijk huis, 'en zeker niet over zulke die een gelukkig, vreedzaam leven saboteren.' Het staat in haar autobiografische roman So sind wir. Waarin ze ook haar Hebreeuwse naam verklaart: Gila betekent vreugde en geluk. Dat ouderlijk huis in Frankfurt móet wel bewoond zijn geweest door volwassenen die bang voor ongeluk waren. Want Gila's vader zat in Auschwitz. Omdat hij zijn kinderen niet met dat duistere hoofdstuk wilde belasten zweeg hij er in zeven talen over. Maar in acht talen las hij kranten.

De vader leest en leest; vergeefs trekt zijn kleine dochter aan zijn broekspijpen. Hij leest om niet nog eens door de geschiedenis overweldigd te worden. Één keer was genoeg, in Polen, waar de 15-jarige jongen pardoes werd opgepakt. Gila ontdekt die dingen pas als zij zelf al een kind heeft. In een Parijse boekhandel waar zij iets leuks voor haar zoontje wil kopen valt haar oog op een boek van haar vader. Op de passage waarin hij bij zijn dodenmars besloot te vluchten omdat hij honger had. En ergens in het bos bezweek. En door Amerikaanse patrouilles werd gevonden. Arno Lustiger, mede-oprichter van de Joodse Gemeente in Frankfurt, textielondernemer, autodidact en nu een gezaghebbend historicus, deze Arno Lustiger communiceert in het boek van zijn dochter alleen via boeken met haar.

Maar de droogheid waarmee hij de gruwelijke feiten opdient, wil zij niet imiteren. Het gaat haar sowieso niet om de feiten. Het gaat haar om het eerste gebod. En dan met name om de gevoelens van haarzelf. Die van haar ouders zijn. Het verlangen naar normaliteit erfde zij van hen. De obsessie met eten ook. En de angst, de schaamte, de woede. Ze schrijft: 'Niet op de moordenaars was ik woedend, op de meelopers, lafaards, toekijkers, dieven, kwellers, verraders, maar op mijn in de oorlog en door de Duitsers kapotgemaakte familie.' Wat nu? Waarom aan slachtoffers de schuld gegeven? Omdat het zwijgen van de vader hemeltergend is. Omdat de dubbelheid van de moeder de dochter in opperste verwarring brengt. Die moeder komt uit Israël en aan haar kinderen leert zij al het Duitse te haten. Maar Gila wil liever een Bärbel of een Gretel zijn. Geen kant kan ze op. Alleen de vluchtweg van de fantasie staat voor haar nog open.

So sind wir is een delicate mix van grove openhartigheid en terughoudend aftasten, van reflectie en actie, van hardheid en tedere liefde. Het boek heeft alles wat je bij een joods-Duitse familieroman hoopt aan te treffen. Waar Disches brutaliteit vaak zijn doel mist, Menasses anekdotiek regelmatig flauw wordt en Jungks groteske beelden soms de grenzen van de goede smaak overschrijden, daar vindt Lustiger geen lichtgeraaktheid maar een lichtheid die je raakt.

Gila Lustiger: So sind wir. Berlin Verlag, 260 blz. €18,-

Irene Dische: Grossmama packt aus. Hoffmann und Campe, 365 blz. euro23,- Een Nederlandse vertaling verschijnt in april bij Querido.

Peter Stephan Jungk: Die Reise über den Hudson. Klett-Cotta, 227 blz. euro19,50

Eva Menasse: Vienna. Kiepenheuer & Witsch, 428 blz. euro19,90. Uit het Duits vertaald door Corry van Bree als Vienna. Ambo, 342 blz. euro19,95.

Gila Lustiger: So sind wir. Berlin Verlag, 260 blz. euro18,-