Elk boek balanceert tussen ja en nee

Iedereen probeert de sleutels te vinden voor de raadsels in 'Extreem Luid'. Maar is dat eigenlijk wel de bedoeling? Lees en reageer op www.nrc.nl/leesclub

In het forum van de Leesclub heeft zich de afgelopen weken een fanatieke zoektocht afgetekend naar de 'echte' inhoud van het onleesbare telefoonbericht van Oskars grootvader (blz. 287-289 Nederlandse editie). Dat gepuzzel gaat voorbij aan Foers bedoelingen - op allerlei manieren lijkt de schrijver met deze roman juist te willen zeggen dat de boodschap niet te verwoorden is. Waar het écht om gaat laat zich slechts uitdrukken in zwijgen en het wit van het papier.

Voordat Oskar zijn vader verloor op 11 september, speelden ze samen graag een spelletje dat 'Reconaissance Expedition' heette, waarbij de vader zijn zoon aan de hand van een opdracht aan het zoeken zette. Foer zelf lijkt zijn lezers op vergelijkbare speurtochten uit te sturen, en de verleiding om aan het puzzelen te slaan is dan ook groot voor de lezer van Extreem luid & ongelooflijk dichtbij.

Vooral het telefoonbericht dat Oskars grootvader stuurt aan de vrouw die hij veertig jaar eerder verliet, smeekt om decodering. De boodschap bestaat voor Oskars grootmoeder slechts uit piepjes, en voor de lezer uit nummertjes. De Leesclub heeft zich op internet de afgelopen weken druk beziggehouden met de mogelijke inhoud van het bericht. Een van de vertaalsters beloofde zelfs om de boodschap alsnog te ontcijferen, dan te vertalen en dan weer in het Nederlands te hercoderen. Ze had daartoe eerst al bij de oorspronkelijke uitgever gevraagd om de sleuteltekst, maar nul op het rekest gekregen, omdat de tekst 'geen echte boodschap bevatte'.

Ik denk dat zij zich daarbij neer moet leggen, en de rest van de puzzelende lezers ook. In de lijn met de postmoderne filosofie is bij Foer het spoor belangrijker dan het doel. Of om het eenvoudiger te zeggen, met Rutger Kopland: 'wie wat vindt heeft slecht gezocht'. Oskar doet er driehonderd pagina's over om dat te leren. De antwoorden die hij hoopt te vinden door met de sleutel, gevonden in zijn vaders garderobekast, systematisch alle mensen met de naam 'Black' af te gaan, bestaan niet. Zijn speurtocht brengt hem nergens, of liever gezegd: brengt hem weer thuis. Waar hij antwoorden zocht, is hij gestuit op liefde en heeft hij geleerd contact te maken. Contact met alle Blacks die hij ontmoet heeft, met zijn eigen grootvader maar vooral met zijn moeder, die hij pas aan het einde van zijn tocht in de armen kan sluiten.

In woorden is die boodschap van liefde ondertussen niet te vangen. In de brief die Oskar van Stephen Hawking ontvangt, staat het zo: 'Het wankele evenwicht is afhankelijk van dingen die we nooit zullen kunnen zien, horen, proeven, ruiken of aanraken. Het leven zelf hangt ervan af.' Naar mijn idee gaat het Foer niet in de eerste plaats over verdriet en verlies (zoals Arjen Fortuin vorige week stelde) maar over de (on)mogelijkheid om daarover te spreken en vooral: te schrijven.

Vandaar dat ook het bericht van Oskars grootvader onvertaald kan blijven. Maakt Foer niet op allerlei manieren duidelijk dat Oskars grootvader na de traumatiserende nacht van de bomaanval op Dresden niets meer kan zeggen? Hij verliest woord na woord, te beginnen met de naam van zijn gestorven, zwangere geliefde, Anna. Zo rechtstreeks zijn de woorden verbonden met de dingen die ze benoemen, dat het verlies van de dingen ook tot het verlies van de taal heeft geleid. Omgekeerd kunnen woorden weer in dingen opgaan: zo maakt Oskar een armband voor zijn moeder van een (in morse omgezet) bericht van zijn vader.

Dit alles is in overeenstemming met de visie op taal in de joodse mystiek, waarin de letters zélf in hun materialiteit betekenis hebben als scheppingsinstrument. In de joodse mystiek zijn daarom niet alleen woorden van belang, maar ook de witte plekken daartussen. Hetzelfde geldt voor de vele witte plekken in Extreem luid & ongelooflijk dichtbij. De stapels witte pagina's die Oskars grootmoeder voltypt: 'Ik hamerde aan een stuk door op de spatiebalk. Mijn levensverhaal bestond uit spaties (blz. 192) of bijvoorbeeld de vrijwel witte pagina's uit grootvaders opschrijfboekjes zijn betekenisvol.

Het tekstbeeld en de foto's drukken iets uit waar de woorden niet bij kunnen. De boodschap die Foer daarin uitdraagt (en wat mij betreft er soms wat al te hard inhamert) is dat er aan het hart van zijn verhaal zo'n onvermijdelijke lege plek is die zich niet laat uitspreken. Zoals Oskars grootvader zegt (p. 17 Amerikaanse editie): 'Every book, for me, is the balance of Yes and No'.

Daarmee sluit Foer zich aan bij een joods-Europese literaire traditie van schrijvers als Paul Celan en Georges Perec. Het gaat bij hen niet alleen om het verwoorden van het verlies, maar om het gestalte daaraan geven. Celan deed dat door gedichten te schrijven vol stiltes en witte plekken. Hij trachtte de letters te 'bevrijden' uit het wit van de pagina, zoals Oskars grootvader zegt beeldhouwwerken te willen bevrijden uit steen.

En Georges Perec, die net als Paul Celan zijn ouders verloor aan de vernietigingskampen, puzzelde met teksten zoals Foer het ook doet. Een roman zonder e's, een opsomming van alles wat zich op zijn bureau bevindt, of bijvoorbeeld een nauwkeurige beschrijving van alle adressen in de straat waar zijn ouderlijk huis stond: het gebruiken van dergelijke systematiek kon er volgens Perec juist voor zorgen dat ontroering de kans zou krijgen. Ook daarin toont Foer zich een leerling in die traditie. Want je kan van zijn roman zeggen wat je wil, aan ontroering geen gebrek.

Discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub, waar ook andere artikelen over Jonathan Safran Foer te vinden zijn. Volgende week in de Leesclub: Margot Dijkgraaf over 'De pianiste' van Nobelprijswinnaar Elfriede Jelinek