Een bijdrage aan de mensheid

David Khalili bezit de belangrijkste privé-collectie islamitische kunst ter wereld. Hij schreef er een boek over dat nu in het Nederlands is vertaald. 'Ik mag dan joods zijn, moslims zijn mijn neven.'

Toen David Khalili een jaar of zestien was, bracht hij eens met zijn vader - een belangrijke kunsthandelaar - een bezoek aan het huis van de Iraanse minister van Cultuur. David zag daar een schitterend gelakte pennendoos, met honderden kleine gezichten erop. Hij vroeg zijn vader geld te leen om het te kunnen kopen. 'De minister wilde weten wat ik er zo mooi aan vond. Ik zei: 'Voor een ruiter is het eenvoudig een paard te berijden in het open veld, maar niet in een kamer van vijf bij vijf meter. Zo is het ook heel moeilijk om op zo'n klein oppervlak zo veel gezichten te schilderen.' De minister was zo onder de indruk dat hij mij het doosje wilde geven, maar mijn vader eiste dat ik ervoor zou betalen.'

Het was de eerste kunstaankoop van Nasser David Khalili en het begin van wat nu de grootste en belangrijkste privé-collectie islamitische kunst ter wereld is. De verzameling telt ongeveer 20.000 voorwerpen, waaronder munten, aardewerk, miniatuurschilderijen, korans, kleden, beeldjes, dozen en instrumenten. Khalili toont zijn collectie nu in een boek met 750 illustraties, enkele zeer informatiedichte essays en een zogeheten Tijdslijn van de islamitische kunst en architectuur - ook de titel van het boek. Die geïllustreerde tijdslijn beslaat zestien pagina's en loopt van de vlucht van Mohammed naar Medina (in 622) tot ruwweg de bouw van de tentachtige Faisal-moskee in Islamabad (1986).

Voor de presentatie van de Nederlandse editie van het boek - de eerste na de oorspronkelijke Engelse uitgave - is de Brits-Iraanse Khalili even uit Londen overgekomen naar Amsterdam. Hij presenteert zich als een beminnelijke man, die iedereen die hij de hand schudt ook even warm bij de schouder vastpakt. Tijdens het gesprek klinkt Khalili slechts twee keer geïrriteerd - verder spreekt hij zacht. En opvallend bloemrijk, zoals over de betekenis van zijn kunstcollectie: 'De schoonheid van een kunstvoorwerp wordt eerst waargenomen door het oog, de toegangspoort tot de ziel. Kunst is dus de kortste weg naar de ziel. Als je wilt dat mensen uit verschillende werelddelen elkaar werkelijk begrijpen is cultuur dus hét middel.'

Het is voorstelbaar dat Khalili als jongeling al moeiteloos de metaforen als die over de ruiter uit zijn mond liet vloeien, maar het verhaal over de pennendoos kan ook behoren tot de vele legenden rond Khalili. Toen hij dertien was schreef Khalili, één van de acht kinderen van een joodse familie in Teheran, een boek over genieën: 'In de ruim 1.000 biografieën die ik daarvoor las, ontdekte ik dat hun succes voortkwam uit hun doelgerichtheid: ze beklommen de berg tot de top.' En dan: 'Ik ben de jongste schrijver in de geschiedenis van Iran. Het boek is nog steeds in druk. Het is een bestseller.'

Met de opbrengst van het boek financierde Khalili eind jaren zestig zijn emigratie naar de Verenigde Staten, omdat hij - zoals hij zei - na een gelukkig verblijf in de vijver de oceaan wilde onderzoeken. In New York ging hij handelen in kunst en liep alle kunsthandels en veilingen af. Door zijn vermogen 500 labels tot in het detail te onthouden, had hij voortdurend de hele kunstmarkt in het hoofd en kon hij geld verdienen door te profiteren van kleine prijs- en kwaliteitsverschillen. Daarnaast ging hij handelen in panden in New York en vooral Londen waar de prijzen voor onroerend goed begin jaren zeventig omhoog schoten.

Met een geschat vermogen van 2,6 miljard pond behoort Khalili nu tot de rijkste mensen van Groot-Brittannië; de verkoop van zijn stadsvilla in Londen voor ruim 50 miljoen pond was vorig jaar wekenlang nieuws in de tabloids. Net als bij de Amerikaan Paul Getty en de Armeniër Calouste Goelbenkian, die beiden in het begin van de twintigste eeuw fortuin maakten met olie, is zijn vermogen nagenoeg geheel belegd in kunst. Naast de collectie islamitische kunst heeft Khalili ook verzamelingen Zweeds textiel (1700-1900), Spaans gedamasceerd metaalwerk en Japanse kunst uit de Meiji-periode (1868-1912); de Japanse collectie is komende zomer te zien in het Van Goghmuseum in Amsterdam.

Ingewijden

Wat de collecties bindt is dat de kunstvoorwerpen erin veronachtzaamd werden toen Khalili begin jaren zeventig zijn eerste miljoenen stak in kunst. Nog altijd leeft de waardering voor islamitische kunst vooral bij ingewijden. De kunstvoorwerpen in Khalili's boek komen op de leek over als hoogwaardig handwerk: meesterlijk gemaakt, verfijnd en vol historische betekenis - vergelijkbaar met het tapijt van Bayeux. Artistieke waarde heeft de kunst voor kenners, die bijvoorbeeld weten dat de islamitische kalligrafie nagenoeg ongeëvenaard is. Met name in het Osmaanse rijk golden kalligrafen als kunstenaars met een eigen signatuur, die zo beroemd waren dat zelfs hun kladvellen voor grif geld werden verhandeld.

Tot die kenners behoort Khalili, die vooral ongelooflijk trots is op de schitterend verluchte kronieken van Rashid al-Din waarvan hij in 1980 de helft verwierf; de andere helft van de wereldvermaarde Jami' al-Tawarikh ligt in Edinburgh. 'Ik maak deel uit van de islamitische cultuur', verklaart hij zijn passie: 'Ik mag dan joods zijn, moslims zijn mijn neven.' Waarom heeft Khalili niet bijvoorbeeld joodse kunstvoorwerpen verzameld? 'De hoeveelheid joodse kunstvoorwerpen is beperkt. De hoeveelheid islamitische voorwerpen is ongelooflijk groot - met het verzamelen dáárvan kon ik dus een veel grotere bijdrage leveren aan de mensheid.'

Wie het boek van Khalili doorbladert, ziet dat de islamitische cultuur niet alleen lang heeft gebloeid - pakweg veertien eeuwen - maar ook zeer verspreid is: van de Afrikaanse westkust tot de Aziatische oostkust. Vol trots wijst Khalili in zijn boek op een grote kaart die Azië, Europa en Afrika beslaat: 'Hier, vijftig landen zijn islamitisch en uit al deze landen heb ik voorwerpen in mijn collectie.' Sommige critici zeggen dat door deze spreiding de Khalili-collectie niet louter uit meesterstukken bestaat. Even stilte.

Dan zegt Khalili, voor de eerste maal geïrriteerd: 'Natuurlijk niet. Noem mij één museum dat alleen topstukken heeft Dit is een heel brede collectie, die bijna alle aspecten van de islamitische cultuur belicht. Van stukken die zijn gemaakt voor koningen en koninginnen tot voorwerpen die gewone mensen gebruikten in hun dagelijks leven. Zie mijn collectie als een symfonieorkest, waarin ook de minder belangrijke muziekinstrumenten onmisbaar zijn voor het geheel.'

Dan bladert Khalili in zijn boek en toont een afbeelding van een gouden Mogol-doos, met 103 perfect bij elkaar passende smaragden, die rond 1635 is gemaakt in India: 'Zegt u eens: waaraan is te zien dat het hier gaat om islamitische kunst?' En na even het verlegen gestamel te hebben aangehoord, zegt hij triomfantelijk: 'Dat kun je niet zien. Islamitische kunst is namelijk seculier. Christelijke kunst is religieus, en dat zie je ook. Islamitische kunst is - soms afgezien van Arabische tekens - niet als zodanig te herkennen.' Wat is islamitische kunst dan eigenlijk: 'Dat is nauwelijks te zeggen, maar een bruikbare definitie is: kunst gemaakt door moslims of gemaakt voor moslims.'

In het tweede geval is islamitische kunst gemaakt door joden of christenen, met wie de moslims nauwe banden onderhielden - net als met andere andersgelovigen. Na de dood van Mohammed in de zevende eeuw begonnen zijn volgelingen vanaf het Arabische schiereiland een veroveringstocht, die al spoedig het Byzantijnse rijk, Noord-Afrika en delen van Europa onder hun heerschappij zou brengen. Na vermenging van de Arabieren met de Turks sprekende volkeren uit Centraal-Azië breidde de islamitische cultuur zich ver uit naar het oosten.

De islamitische machthebbers drukten onmiddellijk hun politieke stempel op de veroverde gebieden. Khalili wijst in het boek op enkele Byzantijnse munten van rond 700 met drie keizerlijke figuren uit het Romeinse rijk én Arabische tekens: 'Op de munten van de onderworpen landen brachten de veroveraars de naam van Allah aan.' Khalili heeft zo'n 6.000 Arabische munten: 'Die munten geven perfect aan welke heerser op welk moment aantrad.'

De munten illustreren ook vermenging van de cultuur van de islamitische veroveraars met die van de lokale bevolking. 'Overal waar de islam kwam werden kunstvormen overgenomen en werden er dingen aan toegevoegd', vertelt Khalili. Hij wijst in het boek op een prachtig gedecoreerde tegel, zoals die vaak worden gevonden in moskeeën. 'Het oorspronkelijke ontwerp komt uit Iran, maar de Turken zetten er hun eigen stempel op, hun typisch Turkse elementen: de bloemachtige patronen in roestbruine kleur en tulpen.'

De eeuwenlange uitwisseling maakt dat de lezer vaak wordt verrast: prenten die er onmiskenbaar Indiaas of Chinees uitzien blijken te behoren tot de islamitische cultuur. Khalili bladert maar weer eens in het boek, naar één van zijn pronkstukken: een gouden geëmailleerde waterpijp uit India (rond 1700), met vogels en bloemen. 'Deze bloemen lijken op een zon. Precies deze vorm is overgenomen in Japan, als nationaal symbool.' En dan gaat Khalili weer naar het andere eind van het Euraziatische continent, naar een Turks wandkleed (zestiende eeuw) dat lang in Europa verbleef. 'Dit kleed is door katholieke bisschoppen gebruikt als kazuifel.' Hij wijst op uitsparing in de vorm van een halve cirkel: 'Hierin, bij de schouders was een lap stof gezet met christelijke symbolen. Is dat niet ironisch?'

Deense cartoons

De spanningen tussen het Westen en de Arabische wereld zijn recentelijk tot ontlading gekomen met de rellen rond de Deense cartoons waarop de profeet Mohammed staat afgebeeld. 'Dat is een politieke kwestie; daar laat ik mij niet over uit', zegt Khalili afgemeten. Is het alleen een politieke kwestie of spelen culturele verschillen een rol? En dan is Khalili voor de tweede maal geïrriteerd: 'Ik geef geen commentaar.'

In zijn boek staan verschillende afbeeldingen van Mohammed, onder meer als aanvoerder van een moslimleger en als profeet naast Mozes en Jezus. 'In de veertiende en vijftiende eeuw was het heel gebruikelijk om de profeet af te beelden. Maar vanaf de zestiende eeuw begonnen kunstenaars zijn beeltenissen weg te laten, uit respect en piëteit. Er staat niets in de koran dat de afbeelding van de profeet verbiedt', zegt Khalili: 'Het is traditie om het niet te doen.'

In het Midden-Oosten weten veel mensen dat niet, erkent Khalili: 'Mensen in de Arabische wereld kennen hun eigen erfgoed onvoldoende. Mijn boek kan daarbij helpen. Moslims hebben erover gezegd: 'Het is een paspoort tot onze eigen trots en waardigheid'.' Die trots is nogal gedeukt, doordat de Arabische wereld cultureel niet bepaald voorop loopt. Hoe kan dat? Khalili, diplomatiek: 'De westerse wereld is zo dominant, dat de Arabische wereld een identiteitsprobleem heeft. De bewoners ervaren hun grootse verleden vaak als een last en zullen moeten leren erop voort te bouwen.'

Moslims zijn de laatste jaren wel de belangrijkste kopers van islamitische kunst geworden. Khalili: 'Jonge mensen uit het Midden-Oosten die hebben gestudeerd in het Westen, hebben gezien hoe Europeanen hun cultuur koesteren. Dat willen zij ook doen, maar dan met hun eigen cultuur. Waarom een Picasso aan de muur, als je ook iets heel moois uit je eigen verleden kan ophangen?' De belangrijkste koper was tot voor kort de sjeik Saud Al-Thani, die met zijn aankopen voor de nationale musea in Qatar de prijzen voor islamitische kunst opdreef.

Na de arrestatie van Al-Thani op verdenking van fraude - vorig voorjaar - is de markt voor islamitische kunst behoorlijk ingezakt. Khalili: 'Ik zou zeggen: de markt is weer genormaliseerd.' Zelf blijft hij kunst kopen, maar in een veel lager tempo dan in de beginjaren: 'Van de twintig voorwerpen die ik krijg aangeboden koop ik er hooguit één.' Het aanbod is verschraald, ook op de veilingen. 'Kijk in de catalogi en vergelijk die met vijftien jaar geleden. Vroeger kon je kiezen uit twintig dingen, nu kun je kiezen uit één ding.' Khalili, die op zijn zevende begon met het verzamelen van postzegels, blijft hoe dan ook doorgaan met het aankopen van kunst: 'Ik ben als verzamelaar geboren en ik zal als verzamelaar sterven.'

Op termijn komt er een Khalili-museum in Londen, zoals er een Getty Museum is in Los Angeles en een Goelbenkian Museum in Lissabon. Wanneer precies, maakt hem niet uit: 'Als de kunst maar te zien is.' Zoals bij de grote tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam zes jaar geleden, met kunstvoorwerpen van hem en van de Hermitage, dat de grootste museale collectie islamkunst heeft. Khalili pakt nog eens zijn boek en bladert naar een gouden geëmailleerd Mogol-dienblad en -doosje uit India (1700): 'Die horen in een serie, waarvan de rest in het bezit is van de Hermitage. In de Nieuwe Kerk lagen ze naast elkaar, voor het eerst in eeuwen herenigd.'

'Tijdslijn van de islamitische kunst en architectuur' is verschenen bij de Amsterdam University Press. Prijs 39,50.