Dertien woorden voor varken, maar wat een parels!

Na jaren van canonangst en postmoderne fragmenten heeft Nederland weer een grote literatuurgeschiedenis. Het eerste deel, over de Middeleeuwen, verbindt een grote visie met de mooiste details.

De eerste Nederlandse literatuurgeschiedenis dateert van anderhalve eeuw geleden. De schrijver ervan, W.J.A. Jonckbloet, werkte in overheidsopdracht. Het was de bedoeling dat de inmiddels bloeiende bourgeoisie van de 19de-eeuwse natie, nu definitief zonder het zuiden en op eigen benen, kreeg wat ze zo node miste, een identiteit. Het Rijksmuseum, in dezelfde periode gebouwd als 'nationaal kunstmuseum' zorgde voor de kunst. Jonckbloet nam de literatuur voor zijn rekening.

Het beeld dat Jonckbloet (en trouwens ook de collectie van het Rijksmuseum) schetste, was er vooral één van kneuterigheid. Niet iedereen was ervan gecharmeerd. Beroemd is de polemiek van Conrad Busken Huet tegen de Geschiedenis der Nederlandse letterkunde: 'Neen, gij hebt er geen voorstelling van, met welk dichterlijk janhagel Dr. Jonckbloet in den regel u noodzaakt kennis te maken [...] De Nederlandse letteren van deze historieschrijver loonen de moeite der kennisneming niet [...] rijmelaars, leuteraars, ingebeelde gekken, breedspraakige knullen [...] van wier nietige lotgevallen en nog nietiger pennevruchten wij het eindeloos verhaal moeten aanhooren - onder voorwendsel dat deze onbevoegden onze landgenoten geweest zijn, en zij onze taal geledebraakt ja, maar dan toch op hunnen wijs geschreven hebben.' De wil alleen om een literatuur te hebben, zo luidde Busken Huets antwoord dus, is niet genoeg. Er moet ook werkelijk iets zijn.

Je zou zeggen dat het 19de-eeuwse verlangen naar nationale identiteit gedragen door oude en typerende cultuur zo langzamerhand wel tot het verleden behoort. Maar nu de natie in een nieuwe identiteitscrisis is geraakt, kan een grote Nederlandse literatuurgeschiedenis er wel weer bij. Een grote, met alle grote namen en een episch formaat, die de plaats moet innemen van haar postmodern fragmentarische en anti-canonische recente voorganger, Nederlandse literatuur, een geschiedenis uit 1993. Dat boek bestond uit korte essays van diverse auteurs die een beeld gaven van belangrijke momenten in de Nederlandse literatuur. Het onbepaald lidwoord wordt ook nu weer weggelaten, het grote verhaal verteld, met een indrukwekkende wetenschappelijke annotatie erbij. Gisteren werden het eerste en het zevende deel van nieuwe literatuurgeschiedenis aangeboden aan de prinsessen Máxima (Nederland) en Mathilde (België).

Het eerste deel, Stemmen op schrift, is van de hand van Frits van Oostrom, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Hij won de AKO-prijs met Maerlants wereld (1996), een verhaal over een 13de-eeuwse auteur die bij niet-specialisten vrijwel onbekend was. Van Oostrom is dus niet alleen een geleerde van formaat, maar ook een schrijver die een publiek kan vinden en boeien - geen overbodige luxe waar het een ontoegankelijk terrein als de Middelnederlandse letterkunde betreft. Hij heeft met het kloeke deel dat nu verschijnt zijn reputatie waargemaakt, en een dik, leerzaam en enthousiast boek geschreven.

De grote visie van Van Oostrom is dat in de eerste twee eeuwen van haar bestaan, zeg grofweg tussen 1100 en 1300, literatuur in de volkstaal in onze cultuur niet alleen een autonome en authentieke zeggingskracht heeft verworven ten opzichte van het Latijn, maar zelfs een rol van betekenis heeft gespeeld in de Midden-Europese cultuur. In die context moet zij dan ook worden bestudeerd en begrepen. Dit comparatieve element is, naast de behandeling van veel nieuw gevonden materiaal, het grote verschil met de laatste grote literatuurgeschiedenis uit de 20ste eeuw, van G.P.M. Knuvelder (Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde), die door de nieuwe reeks wordt vervangen. Deze hoofdlijn wordt uitgewerkt in vijf hoofdstukken, die grofweg chronologisch zijn ingedeeld, maar ook thematisch overeenkomen. Ze lopen van de schets van de orale cultuur van vóór 1100 tot de literaire hoogtepunten van de tweede helft van de 13de eeuw, Hadewijch, Vanden vos Reynaerde en het werk van Maerlant.

Busken Huets geciteerde gram gold vooral het gebrek aan werkelijke literatuur in Nederland in latere periodes dan die door Van Oostrom beschreven. Voor de Middeleeuwen, en vooral de vroege, kon met recht gezegd worden dat er echt haast niets was. Waar de Britten konden schermen met Beowulf, de Duitsers met het Nibelungenlied, heerste in het bevroren moeras dat Holland heet ijzige stilte. De Nederlandse literatuur begint veel later, en dan nog aarzelend, met een 'pennenproef' (het uitproberen van een versgeslepen ganzenveer op de kaft van een codex), nota bene in Engeland rond 1100. De schrijver noteerde daar de sinds hun ontdekking in 1932 fameuze drie verzen 'Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu' ('Zijn alle vogels nesten begonnen, behalve ik en jij - waar wachten we nog op?'). Fijn, prachtig zelfs, maar klein. Van het Oudnederlands is, naast Williram en de Wachtendonckse psalmen, maar heel weinig over.

Het is de grote verdienste van Van Oostrom dat hij niet alleen die drie verzen, maar de hele context die ze moeten hebben gehad tot leven wekt, en in de stilte woorden heeft gevonden. Een 'exercitie in bescheidenheid', zoals hij het zelf noemt.

Van Oostrom gaat aan de slag met zeer schaarse gegevens, uiteraard niet literair, om tot een context van de vroege Middeleeuwen te komen: namen, runen, wetsteksten. Hij schaart zich zo onder de academische stroming van het 'New Historicism', dat de culturele context van de literatuur centraal heeft gesteld. Inderdaad heeft zijn werk veel weg van de grote Amerikaanse voorman van die wetenschappelijke stroming, Stephen Greenblatt, ook in de moed die de geleerde betoont bij het formuleren van niet zuiver wetenschappelijk te bewijzen hypothesen. De durf tot speculatie siert dit boek in hoge mate.

Die niet literaire teksten leveren pareltjes op. Wat te denken van een passage uit het Oudfriese recht, opgetekend in de 13de eeuw: 'Als het kind spiernaakt is of zonder huis, en de donkere nevelige en snoeikoude winter en de lange duistere nacht bedekken het erf; als iedereen naar eigen huis en haard gaat en in zijn warme hoekje kruipt en zelfs het wilde dier bescherming zoekt in de bergen en in de holle boom opdat het zijn leven mag behouden; als dan huilt en schreit het minderjarig kind', dan, zo vervolgt de wetstekst, 'mag de moeder haar kinds erfenis belenen, anders niet.' In een wetstekst is dit poëzie waar we trots op mogen zijn.

Daarbij schuwt hij niet de aandacht te vestigen op wat 'typisch Nederlands' is, de kwaliteit gezocht door Jonckbloet en verketterd door zo vele van zijn opvolgers. De eskimo's hebben naar verluidt tientallen woorden voor sneeuw. Het Oudnederlands blijkt maar liefst dertien woorden voor het varken te hebben (wat dacht u van 'chramnichalti'?), bewaard onder de zogenaamde 'dierglossen'. In de modder woelen is dus het Nederlands devies.

Bovengenoemde glossen, verklaringen in de volkstaal genoteerd in Latijnse codices, en fundamentele bron voor het Oudnederlands, brengen ons bij een traditioneel probleem in de Nederlandse literatuurgeschiedenis: de rol en de positie van het Latijn. Neerlandici hebben altijd moeite met het belang van het Latijn gehad, en zich daarom ook vaak niet al te zeer in de finesses van deze nobele taal verdiept. Dat wordt, alweer, mede veroorzaakt door het startschot van Jonckbloet: de nieuwe natie had een eigen taal nodig.

Voor de Middeleeuwen is het Latijn cruciaal. In het verhaal van Van Oostrom raakt het langzaam buiten beeld. Maar juist de autonomie die de volkstaal ten opzichte van het Latijn in de beschreven periode lijkt te bereiken, maakt de spanningsvelden tussen Latijn en de volkstaal razend interessant. Het is in het beschrijven van dit spanningsveld dat het boek wat tekort schiet.

Daarbij gaat het niet om de kleine foutjes die Van Oostrom soms in het Latijn maakt. Maar dat hij schrijft dat Aeneas Rome heeft gesticht in de bespreking van Veldekes Eneas verraadt meer dan slordigheid: hij is met Vergilius' Aeneis, en trouwens ook diens Bucolica en met Ovidius' Metamorfosen niet écht vertrouwd. Toch waren dit kernteksten in het Middeleeuwse Latijnse curriculum, dat, zo stelt Van Oostrom herhaaldelijk, door de belangrijkste van zijn auteurs grondig werd beheerst. Deze relatieve onschuld wreekt zich soms, bijvoorbeeld bij de, overigens zeer rijke, analyse van het slot van Vanden vos Reynaerde, dat als verklarende mythe (waarom is de vos 'vogelvrij'?) rechtstreeks aansluit bij het merendeel van Ovidius' Metamorfosen. Ook meer in het algemeen eist Van Oostrom voor zijn periode bepaalde karakteristieken op die voor de Latijnse poëzie met evenveel recht kunnen worden geclaimd.

Laat er wat te vitten zijn: het geheel is indrukwekkend. Want dat kleine dat de Middelnederlandse letterkunde rijk is tussen de varkens en de modder, blijkt inderdaad fijn en van geweldige kwaliteit. Uiterst originele besprekingen krijgen het werk van Veldeke, Karel ende Elegast, het genoemde 'Hebban olla vogala', maar ook en vooral de mystiek van Hadewijch en het onvolprezen meesterwerk Van den vos Reynaerde. Hadewijchs mystiek wordt in verband gebracht met de religieuze revolutie die Franciscus van Assisi veroorzaakte. En waar Franciscus in Italië de kerk is 'binnengeloodst', is de mystiek van Hadewijch er relatief buiten gebleven. Zo wordt voor de Reformatie, de belangrijkste bijdrage aan de Europese geschiedenis uit onze streken, de kiem getraceerd in de belangrijkste dichteres van het Middelnederlands.

Bij dit alles valt op hoe prachtig Van Oostrom componeert, dat wil zeggen, hints loslaat en die later weer oppikt om triomfantelijk tot een oplossing, of, even vaak, tot een non liquet te komen. Veel van zijn uitweidingen over de culturele context lezen door die secure compositietechniek als een detective-roman. Dit blijkt bijvoorbeeld in zijn behandeling van Veldeke. Eerst bespreekt Van Oostrom een recente, nieuwe verklaring voor de hoofse cultuur in een fusie van adel en kerkintellect, een 'protohumanisme' in Duitsland. Daarna bespreekt hij de traditionele verklaring van diezelfde hoofse cultuur, uit de Franse aristocratie, ten slotte plaatst hij Veldeke hier haarfijn tussenin, zodat deze op het snijvlak tot een cruciale protagonist kan uitgroeien.

Het is ongetwijfeld niet zonder enige ironie dat Van Oostrom, onder het motto dat de aanval de beste verdediging is tegen de Busken Huets, zo een cultuurhistorisch primaat claimt voor de Nederlandse Middeleeuwen. Die worden opgevat als kruispunt van culturen (tussen het Duitse, Franse en Engelse taalgebied in), en dus als kernpunt van de cultuur van Noord-West Europa. Enige overdrijving mag de geleerde vergeven worden: het inzicht is toch van groot belang voor een zicht op wat Nederland was en geworden is. Daarbij komen moderne preoccupaties als interculturaliteit en interdisciplinariteit goed van pas. De moderniteit van Van Oostroms benadering maakt zijn boek actueel.

Stemmen op schrift (een titel die wellicht verwijst naar de Nederlandse vertaling van Doblhofers Stemmen in steen, over de ontcijfering van schrift uit de verre Oudheid) mist ook wel wat. De schrijver is vóór alles een intellectueel, en de poëzie krijgt niet altijd de diepte-bespreking die wenselijk is, ook in technisch opzicht: meer aandacht voor de metriek en versificatie was welkom geweest. Ook zijn stijl is niet altijd even trefzeker. Wijdlopigheid noch plechtstatigheid is hem vreemd.

Maar vóór alles is er rijkdom, in de genoemde grote lijn, maar ook het detail: van Veldekes 'Lâ mich wisen dîn/ Unde wis dû mîn' tot de woorden van de vos Reynaerde waarmee hij bij zijn afscheid zijn zoon Reynaerdine bij zijn vrouw aanbeveelt: 'Hem staen wel die gaerdeline /In zine muulkine over al' (Wat staan zijn snorhaartjes lief op zijn snuitje!). Van de grote inzichten van de modernste Mediëvistiek tot de kleinste details van de zoektocht naar materiaal en duiding. Van 's levens felheid, luister en vreugde op Barbarossa's hofdag in Mainz, tot het sadistisch universum van Reynaert de vos.

Frits van Oostrom: Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Bert Bakker, 640 blz. euro45,- (geb.) en euro35 (pbk) tot 1 mei. Daarna euro49,95 en euro39,95

Gisteren verscheen ook het zevende deel van de nieuwe literatuurgeschiedenis, geschreven door Hugo Brems: Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1945-2005 (Bert Bakker, 792 blz.). Het wordt binnenkort besproken in deze bijlage.