Britten spotten behoedzaam

Demonstraties waren er niet, woensdag in Little Russell Street, toen prins Philip het Cartoon Museum heropende op een nieuwe locatie vlakbij het British Museum. Veel aanstootgevends is er dan ook niet te zien in de bescheiden collectie en al helemaal geen reproducties van de omstreden Deense spotprenten van de profeet Mohammed.

Conservator Anita O'Brien kijkt licht geërgerd wanneer ik vraag of de Deense kwestie nog een dimensie toevoegt aan haar museum. Toont de affaire immers niet aan hoe groot de invloed van spotprenten op de samenleving kan zijn? Ja, dat ontkent ze niet, maar ik moet goed beseffen dat er verder geen enkel verband bestaat tussen het museum en de zaak. Het is puur toeval dat het museum net nu zijn deuren opent.

'Kom mee', roept ze dan. 'Ik wil je wat laten zien.' We lopen een trap op en komen in een zaaltje met wat cartoons die door kinderen zijn gemaakt. De conservator wijst op een tekening van een oosters meisjesgezicht met felle ogen, dat deels verscholen gaat achter een transparante sluier. 'Ik ben zo gevangen als een adelaar', luidt de uitdagende tekst op de prent. 'Hoog vliegend.'

De prent is van de hand van een islamitisch tienermeisje uit Birmingham, de stad met een van de grootste concentraties moslims in het hele land. 'Elke kunstenaar drukt zich op zijn eigen manier uit', zegt O'Brien. 'Mij sprak deze prent aan. Toen ik hem op internet zag, heb ik haar gevraagd of ik hem ook mocht tentoonstellen.' Ik vraag me af waarom hij mij juist minder zegt. En dan weet ik het: hij ontbeert elk spoor van ironie.

De cartoon van het meisje is vermoedelijk de enige met een islamitisch thema. Het museum legt intussen wel een belangrijke trek van de Britse cultuur bloot. Het toont aan dat de Britten al eeuwen gewend zijn aan openlijke bespotting van hun machthebbers. En dat duidt op burgers én bestuurders die tegen een (plaag)stootje kunnen.

Neem de prent van een van de pioniers van de Britse cartoons, James Gillray, die in 1827 de hertog van Wellington, de held van Waterloo, op de hak nam. We zien een hoofd op een laars met het bijschrift. 'Wellington Boot, of het hoofd van het leger'. De IJzeren Hertog, zoals Wellingtons bijnaam luidde, oogt er bijzonder schamel en lachwekkend bij.

In veel andere landen zou Gillray destijds meteen in het cachot zijn gegooid. Zo niet in Groot-Brittannië, waar ook toen al het besef leefde dat geen mens, hoe hoog ook, zo serieus hoeft te worden genomen dat hij boven alle spot verheven is.

Niet dat de machthebbers zelf altijd genoten van de cartoons waarop ze voorkwamen. Niet voor niets kende de Britse regering Gillray in 1798 een vaste toelage toe in de hoop dat hij de troonopvolger voortaan niet meer zou bespotten. Ruim twintig jaar later tekende de cartoonist Cruikshank, tegen betaling van honderd pond zelfs een verklaring waarin hij beloofde George IV niet meer in immorele staat te tekenen.

Zoveel terughoudendheid jegens Britse machthebbers is niet meer van deze tijd. Prins Philip kreeg op de tentoonstelling een cartoon voor zijn neus van zijn eigen vrouw, koningin Elizabeth. Met een duivelse grijns die een wanstaltig groot gebit blootlegt staat zij afgebeeld achter de tap in een pub. Nee, de prins was niet geschokt, vertelt O'Brien me later. 'Hij had die plaat geloof ik al eerder gezien.' Het museum herbergt ook een weinig flatteuze prent van wijlen de Queen Mother.

Hoe anders was de sfeer enkele dagen eerder op Trafalgar Square bij de demonstratie van 10.000 Britse moslims die uiting gaven aan hun woede over de Deense cartoons. De ene na de andere spreker ontstak achter de microfoon in heftige woede over zo weinig respect voor de islam en zijn profeet. Aangespoord door mannen met megafoons barstte de menigte op gezette tijden uit in een donderend Allah-u-Akbar. 'U moet goed begrijpen dat wij honderd keer per dag de zegen van Mohammed vragen', zei een Pakistaanse arts nijdig tegen me. 'Hoe kunnen we dan een belediging met zulke spotprenten tolereren?'

Geen van die sprekers nam ook maar even de moeite om vast te stellen dat het toch wel mooi was dat ze zo in alle vrijheid hun mening konden verkondigen. En dat zoiets in hun eigen land van herkomst niet iedereen is gegund, bleef helemaal onvermeld.

Geen lachje kon er die middag van af. Elk relativeringsvermogen ontbrak. Terwijl de manifestatie zo hier en daar toch waarachtig absurde trekjes vertoonde. 'Be careful with Mohamed' stond er bijvoorbeeld op een spandoek dat boven de sprekers was bevestigd. Het plakkaat was uitgerekend bevestigd op de sokkel van de immense zuil van het standbeeld van een van de grootste helden uit de Britse historie, admiraal Horatio Nelson.

Wat ook te denken van de Britse moslimjongen die me op het schermpje van zijn mobiele telefoon opgewonden een sms van zijn neef in India liet zien. Daar was inmiddels een boycot op gang gekomen onder moslims van Deense producten zoals Cadbury en 7Up. Cadbury en 7Up? Cadbury is toch een Engels bedrijf, wierp ik tegen, en 7Up is evenmin Deens. 'Oh, nou dan maar een boycot van Lego-speelgoed', zei zijn metgezel zonder een spier te vertrekken.

Het schreeuwde haast om een spotprent. Maar de Britten, anders zo wars van ontzag voor wie dan ook, zijn ditmaal verrassend terughoudend. Geen enkele grote Britse krant heeft ook maar een van de Deense cartoons afgedrukt. Unisono belijden ze hun respect voor de moslims en hun profeet, al wordt alle gebruik van geweld uiteraard afgekeurd.

Onbegrijpelijk is die opstelling niet. De verhouding tussen Britten en moslims, in eigen land en daarbuiten, is op zijn zachtst gezegd nog niet volledig uitgekristalliseerd. Daarom is behoedzaamheid geboden. Misschien zou het beste zijn als de Britse moslims - net als de rest van de Britten - vaker spotprenten van hun eigen politieke én religieuze leiders maakten. Het zou een teken van zelfvertrouwen en volwassenheid zijn, het ultieme teken van inburgering in Groot-Brittannië. In een nog later stadium kan dan iedereen van iedereen spotprenten maken. Jammer dat ik die tijd waarschijnlijk niet meer meemaak.