Amerikanen, de vijand is onder ons

Senator Joe McCarthy hield tussen 1950 en 1954 met zijn communistenjacht de Verenigde Staten in zijn ban. Zijn methodes blijken opnieuw te werken

Toen Haynes Johnson in 1957 als jonge verslaggever in Washington begon was senator en communistenjager Joe McCarthy net drie maanden dood, maar zijn naam werd door journalisten en politici nauwelijks meer genoemd. Hij was, schrijft Johnson in The Age of Anxiety, 'teruggebracht tot voetnoot bij een problematisch tijdperk'. Als er al over hem werd gesproken ging het over de periode na zijn politieke val in 1954, over zijn laatste jaren, die in het teken stonden van zijn gevecht tegen de drank. Zijn dramatische ondergang en zijn vroege en onverwachte dood riepen volgens Johnson een gevoel van medelijden op: hij was, ondanks zijn getier en geraas, geen slechte man geweest. En hij bedoelde het goed.

Niemand wilde nog worden herinnerd aan de roekeloze demagoog, aan de man die het plegen van karaktermoord als geen ander voor én na hem beheerste. Vergeten was dat McCarthy van 1950 tot en met 1954 het land in zijn ban hield met zijn kruistocht voor Amerika en tegen (vermeende) communisten, hun handlangers en hun beschermers in de regering, het leger en de media. Uit het collectieve geheugen gewist waren de hoorzittingen waaraan hij op uiterst grove wijze leiding gaf en waar carrières werden geknakt en reputaties gebroken. Verbannen was de herinnering aan de verwarring en angst die hij onder de bevolking zaaide met redevoeringen waarin hij op de proppen kwam met 'bewijzen' van ondermijnend en staatsgevaarlijk gedrag door honderden ambtenaren (later teruggebracht tot tientallen en nog weer later tot één), landverraders die werden aangestuurd door Moskou en zich zouden hebben genesteld in het ministerie van buitenlandse zaken.

Republikeinen noch Democraten waren trots op de politieke cultuur die begin jaren vijftig het klimaat in Washington vergiftigde. De meeste politici waren met de schrik vrijgekomen. Zij concentreerden zich nadrukkelijk op het heden. McCarthy was dood, het 'isme' waaraan hij zijn naam had gegeven een nare herinnering uit het verleden.

Johnson had van dichtbij meegemaakt wat voor schade het McCarthy-isme kon aanrichten. Eind jaren veertig had zijn vader Malcolm als journalist in een serie geruchtmakende artikelen afpersing, terreur en moord bij de vakbond van havenwerkers in New York aan de kaak gesteld. De artikelen werden omgezet in een boek, dat weer de basis vormde van de film On the Waterfront van Elia Kazan. Het script van de film was in 1951 geschreven door een voormalig lid van de communistische partij. Dit bood de leider van de vakbond die door Malcolm Johnson was doorgelicht de gelegenheid wraak te nemen. Hij stuurde een brief naar diens werkgever, krantenmagnaat en communistenhater William Randolph Hearst: of deze wist dat ene Malcolm Johnson voor hem werkte, de schrijver van het boek dat door een voormalige communist tot filmscript was verwerkt? Johnson werd gedwongen zich tegen de aantijgingen, hoe bizar en vergezocht ze ook waren, te verdedigen. Hij behield zijn baan, waarschijnlijk omdat hij nooit een communist was geweest.

Angstige heden

Haynes Johnson heeft zich vooral leren kennen als auteur van zeer leesbare boeken over zijn eigen tijd, waaronder bestsellers over de jaren tachtig (Sleepwalking Trough History) en negentig (The Best of Times). The Age of Anxiety is niet een zoveelste boek over Joe McCarthy en zijn tijd; het gaat nadrukkelijk ook over het angstige heden. Want Johnson windt er geen doekjes om: de huidige Amerikaanse regering heeft een zelfde klimaat van angst en onzekerheid geschapen als de senator uit Wisconsin in de jaren vijftig. Wie de mentaliteit van de Republikeinen onder Bush wil doorgronden doet er volgens Johnson daarom goed aan de geesteshouding van de Republikeinen onder McCarthy te onderzoeken. De retorische wapens die McCarthy in stelling bracht worden door Bush met succes opnieuw gebruikt. Het doel is in beide gevallen hetzelfde: het onschadelijk maken van binnenlandse tegenstanders, zowel in de Democratische partij als in de pers.

De basis voor het beleid van McCarthy en Bush is volgens Johnson het permanent onder druk houden van de bevolking. McCarthy deed dat door te waarschuwen voor communisten in de regering, het ambtenarenapparaat en in kunsten. Bush door eraan te herinneren dat er 'een vijand rondloopt' die niets liever wil dan de 'Amerikaanse levenswijze' vernietigen. De terreursignalen die de regering afgeeft (codes geel, oranje en rood) en de redevoeringen waarin Bush melding maakt van verijdelde aanvallen op Amerikaanse bodem passenin dat beeld.

Degenen die kritiek leveren op dit beleid worden zwart gemaakt. Het favoriete woord van de Republikeinen toen en nu was 'soft'. Destijds waren Democraten en gematigde Republikeinen soft on communism. Nu zijn ze soft on terrorism. Het effect is hetzelfde; de bevolking wordt ingewreven dat het land niet in goede handen is als deze mensen het voor het zeggen krijgen. Of, beter: de bevolking wordt wijs gemaakt dat de communisten (Moskou) of de terroristen (Osama bin Laden) zich erop verheugen als straks, na verkiezingen, een Democraat het weer voor het zeggen krijgt.

Verdachte elementen - rotte appels - in de samenleving dienen onschadelijk te worden gemaakt. Destijds verloren communisten, fellow travelers en 'pinko's' hun baan, nu werden duizenden vermeende radicale individuen na de aanslagen van 11 september 2001 maandenlang zonder reden gevangen gezet. Ze mochten geen bezoek ontvangen, kregen geen advocaat toegewezen, hadden geen toegang tot de media. (Het vasthouden van honderden gevangenen op de basis Guantánamo Bay werd vorige week door minister van defensie Rumsfeld verdedigd met de opmerking dat ze, eenmaal op vrije voeten, zouden proberen Amerikanen te doden. Met andere woorden: wie voor sluiting van Guantanamo Bay is, laadt de verdenking op zich dat hij niet geeft om het leven van Amerikaanse burgers).

De bevolking dient te worden ingewreven dat de pers niet te vertrouwen valt of zelfs heult met de vijand. In de film Good Night, and Good Luck noemt McCarthy de journalist Edward Murrow de jackal of the pack. 'Jackal' heeft hier een dubbele betekenis: zowel jakhals, een ongure persoon, als iemand die het vuile werk opknapt, in dit geval voor andere, gelijkgezinde journalisten. In The Age of Anxiety gaat Johnson uitgebreid in op het lot van de columnist en muckraker Drew Pearson, die zeer kritisch schreef over McCarthy. McCarthy noemde hem daarop tijdens een rede in de senaat een 'gedegenereerde leugenaar', de 'zoetgevooisde stem van Rusland' die 'ondermijnende elementen' in Washington bescherming bood. Hierna riep hij burgers op deze 'stem van het internationale communisme' het zwijgen op te leggen door de sponsor van zijn radio-uitzendingen te dreigen met een economische boycot. Deze sponsor trok zich daarop terug.

McCarthy gebruikte de pers. Hij wist hoe de journalistiek werkt: beschuldigingen aan het adres van tegenstanders zorgden voor vette koppen, de ontkenning of het weerwoord werden een dag later diep in de krant begraven. Veel journalisten hadden geen tijd of behoefte om te controleren of de beschuldigingen klopten. Enkele hoofdredacteuren waren bovendien geen voorstander van een harde aanpak van McCarthy. Net als gematigde Republikeinen en veel Democraten hoopten zij dat McCarthy door zijn roekeloosheid zichzelf de das zou omdoen. Ook hier trekt Johnson een parallel met het recente verleden: de meeste journalisten gedroegen zich volgens hem als cheerleaders van de regering in de aanloop naar de oorlog in Irak. Angst om uit de pas te lopen of een primeur mis te lopen bepaalde de teneur van de verslaggeving, ook van traditioneel kritische kranten als de New York Times en de Washington Post. Beide hebben sindsdien hiervoor hun excuses aangeboden aan de lezers.

Ideaalbeeld

McCarthy presenteerde zich tot slot als het ideaalbeeld van de Amerikaan die de vijand schrik aanjoeg. Tijdens spreekbeurten werd hij geïntroduceerd als 'de vechtende marinier uit Wisconsin' en niet als senator. Boodschap: hij was geen bedaagde beroepspoliticus of intellectuele snob maar een man van actie die tijdens de Tweede Wereldoorlog al van wanten wist en nu verraders in binnen- en buitenland rauw lustte. Tegenover het goddeloze communisme van de vijand stelde hij een gespierd christendom. McCarthy onderhield nauwe banden met de katholieke kerk en met de eerste televisiepriester van Amerika, bisschop Fulton Sheen. Sinds Reagan poseren de Republikeinen als hoeders van gezinswaarden en de Amerikaanse way of life.

Tijdens de presidentsverkiezingen van 2004 werd de Democratische kandidaat John Kerry weggezet als girlie man: een surfer, liefhebber van wijn en literatuur, gehuwd met een buitenlandse vrouw en ondermijner van het moreel van de Amerikaanse troepen tijdens de oorlog in Vietnam. Vraag aan de bevolking: aan wie vertrouwt u de defensie toe van dit land, aan Kerry of aan de tandem Bush-Cheney? Er loopt een rode draad van McCarthy, die Democraten uitmaakte voor egg-sucking phony liberals - lees: het weke, geaffecteerd pratende Oostkust-establishment - naar de karikatuur die in 2004 van Kerry werd geschilderd.

Het boek van Johnson is niet in alle opzichten geslaagd. Zo is het jammer dat hij niet ingaat op de rol die televisie nu speelt in de Amerikaanse samenleving. De hoorzittingen die McCarthy in 1954 ten val brachten zouden nu niet meer kunnen worden gehouden, al was het maar omdat de Republikeinen hun eigen uitlaatklep hebben bij de conservatieve zender Fox. Dat Fox niet ter sprake komt is mede te danken aan de opzet van het boek: alleen het eerste en de laatste hoofdstukken zijn gewijd aan de situatie na de aanslagen van 11 september 2001. De honderden bladzijden daar tussen vertellen het dramatische verhaal van de opkomst en ondergang van McCarthy, door Johnson verlevendigd met persoonlijke getuigenissen van diens slachtoffers.

Hoe interessant op zich ook, de waarde van het boek ligt in de parallellen tussen toen en nu; op de wijze waarop Republikeins rechts de bevolking in zijn ban houdt. McCarthy is nog steeds onder ons, houdt Johnson zijn lezers voor. Hij zou wel eens gelijk kunnen hebben.

Haynes Johnson: The Age of Anxiety. McCarthyism to Terrorism. Harcourt, 609 blz. euro26,50