Alles altijd onder ogen zien

Alsof je stiekem in iemands persoonlijke paperassen zit te neuzen. Zo voelt het een beetje als je het dagboek van Frida Vogels leest, waarvan vorig jaar het eerste van de zestien geplande delen verscheen. Dat is ook de wat ongemakkelijke charme van het lijvige tweede deel, dat de jaren 1958 en 1959 bestrijkt. Haar aantekeningen zijn interessant, geestig, vaak ook beklemmend en misschien wel eens te kort of juist wat te lang, maar zelden saai.

Maar zijn ze wel voor onze ogen bestemd? Je mag aannemen dat Vogels zelf op de gedachte is gekomen haar dagboeken aan de openbaarheid prijs te geven, hoewel ze dat toch ook weer niet van harte lijkt te doen. De lezer moet op eigen kracht maar zien uit te dokteren wie wie is en wat zij te maken hebben of hebben gehad met Frida Vogels. Wie zijn Loe, Dea en monna? En wie Peppino, Claudio en Alvise? En wat wordt bedoeld met 'de ramp van Bretagne', waarnaar een paar keer wordt verwezen? Wat heeft Frida te zoeken in Luxemburg waar ze van tijd tot tijd werkzaam is? Met 'het boek van Han' zal Bij nader inzien zijn bedoeld, van J.J. Voskuil, dat in 1963 verscheen en waaraan hij in de jaren vijftig al werkte. Maar het zou prettig zijn geweest daar iets meer over te kunnen lezen. Een register op namen en een lijst met aantekeningen zouden aangename hulpmiddelen zijn geweest.

De lezer wordt, kortom, niet helemaal toegelaten in dit Dagboek. Wie de moeite neemt om er toch in door te dringen, zal zich niet bekocht voelen. Door de ogen van Vogels valt veel te zien en te ontdekken. Amsterdam, Bologna, Castellina, Delft, Frankfurt, Kampen, Luxemburg, Milaan, Parijs, Straatsburg, Tremosine. Ze reist veel, maakt veel mee en komt met veel verschillende mensen in contact en doet van dat alles uitgebreid verslag. Daarbij ligt de nadruk steeds op de weerslag die al die ervaringen hebben op haar eigen gemoed.

Als zij op 27 april 1959 noteert dat een dagboek 'een getuigenis' is, waarin al haar 'laagheden' blootliggen, dan bedoelt ze daar vermoedelijk mee dat ze er een soort levensverklaring in wenst af te leggen. Zij geeft zich minutieus rekenschap van haar handelwijze, haar motieven, haar betrekkingen met haar man, haar familie, haar vrienden, haar collega's en alle andere mensen in haar omgeving. Niet alleen zichzelf, maar ook de anderen neemt ze daarbij steeds de maat. Het is een onafgebroken wikken en wegen. Deug ik? Deugt de ander? Kan ik mezelf, hem of haar nog steeds recht in de ogen kijken?

Huwelijk

De menselijke waardigheid is steeds in het geding. De ene keer is ze zeer uitgesproken en heeft ze het over de walging die ze voelt jegens zichzelf of over de bewijzen die ze meent te zien voor haar minderwaardigheid. Ook merkt ze wel eens goedkeurend op dat ze zich 'spontaan' gedragen heeft, of dat een dag 'bevredigend' verlopen is. De andere keer is ze minder expliciet en maakt ze melding van een 'probleem' zonder dat dat probleem wordt benoemd.

In dit tweede dagboekdeel draait het vooral om de verhouding van Vogels tot de twee belangrijkste mannen in haar leven: haar jongere broer Michiel, van wie zij zich probeert los te maken, en haar Italiaanse man Enzo. Over haar moeizame relatie met broer Michiel (waar die ramp in Bretagne aan ten grondslag lijkt te liggen) vertelt ze wel veel, maar niet alles. Niet genoeg in elk geval voor een oningewijde om de gespannen betrekkingen te kunnen doorgronden. Als hij te kennen geeft voor zijn verjaardag zilveren manchetknopen te willen, dan vat zij dit, om voor ons duistere redenen, op als een aanval. 'Hoe vijandig dit allemaal was ontging mij natuurlijk niet', schrijft Vogels, 'al liet ik daar niets van merken.' Hoe houterig hun omgang is, blijkt uit elke theevisite en uit elke logeerpartij die ze beschrijft en die omgeven worden door ongemakkelijke excuusbrieven over en weer.

Het grote thema van dit boek is haar kersverse huwelijk met Enzo. Had ze beter alleen kunnen blijven om zich te wijden aan het schrijverschap, vraagt ze zich onophoudelijk af, of heeft ze toch de juiste beslissing genomen door te gaan samenleven met de man die zo duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij van haar houdt? De lezer houdt zijn hart vast, want vooral in het eerste huwelijksjaar valt alles tegen. Veel ruzie, veel onbegrip, veel verwarring, weinig verliefdheid, onwennigheid met de Italiaanse taal, afkeer van de stad Milaan waar ze hun intrek hebben genomen en schuldgevoelens ten opzichte van Enzo, die meer houdt van haar dan zij van hem.

Ook in seksueel opzicht, zo valt tussen de regels door op te maken, schiet Frida te kort en ook dat drukt op haar zonder dat ze het probleem met zoveel woorden benoemt of bespreekt. Zij vergelijkt zichzelf met de eerste vrouw van Du Perron, die dezelfde onmacht had 'zich te geven'. Soms kan men uit de suggestieve plaatsing van drie puntjes opmaken dat aan de huwelijksplicht is voldaan. 'Gisteravond naar de bioscoop en vervolgens ' En twee maanden later: 'Tenslotte op mijn initiatief.' Toch valt er over het huwelijk ook nog wel iets gunstigs op te merken. In het tweede jaar raakt Vogels duidelijk meer op haar man gesteld, wat ook mag blijken uit enkele huishoudelijke beslommeringen. Kon ze op 11 augustus 1958 nog onverschillig over een sok denken dat het 'maar een sok van E.' was, op 15 september 1959 stelt ze enigszins tot haar verbazing vast dat ze zijn pyjama 'met zorg' opvouwt.

IJdele hoop

De grote greep, zou je kunnen zeggen, ontbreekt bij Vogels. In een poging om orde te scheppen in de chaos van haar leven dat uiteenvalt in talloze gedachten, indrukken, gebeurtenissen en ontmoetingen, zet ze zich steeds weer aan het schrijven. Zij stelt zich ten doel 'alles wat er gebeurd is onder ogen te zien', in de hoop zo tot de juiste gevolgtrekkingen en standpunten te komen. IJdele hoop natuurlijk, want de dag van vandaag is nog niet in kaart gebracht of er dienen zich alweer nieuwe feiten, onderwerpen, anekdotes, krantenberichten, dialogen, ongenoegens en andere verwarrende troebelen aan. Ons hoeft dat niet te spijten, want Vogels weet het allemaal levendig te beschrijven, zonder een spoor van verveling of gezapigheid, in frisse, heldere woorden. Daarbij laat haar gevoel voor humor haar zelden in de steek.

Ronduit slapstickachtig, enigszins Reviaans van beschrijving ook, is de scène die zich afspeelt aan de Amsterdamse Middenweg. Frida is op bezoek bij haar vader, met wie zij een ongemakkelijke verstandhouding heeft. Zij wil weg, maar hij houdt haar aan de praat. Hij wijst op haar tanden die geel zijn van het roken. Geen nood, hij heeft daar wel een middeltje tegen. Zij verzint een uitvlucht om van het gezeur af te zijn, maar hij blijft aandringen. Het eindigt ermee dat zij het huis na een haastige groet uit rent, waarna hij haar tot op de tramhalte achtervolgt met het flesje dat ze niet wil hebben, maar dan toch maar in ontvangst neemt.

Een met tegenzin aangenomen flesje: dat levert een aardig beeld op van het leven dat Frida Vogels in de late jaren vijftig leidde: ze wilde het allemaal wel anders, maar nam het uiteindelijk zoals het kwam, onder heimelijk protest.

Frida Vogels: Dagboek 1958-1959. G.A. van Oorschot. 568 blz. euro27,50