Vol prachtige vondsten

Jan Pieter Guépin, die dinsdagochtend op 76-jarige leeftijd overleed, was vóór alles classicus. Als een van zijn vele publicaties een biografische introductie behoefde, liet hij dat er dan ook altijd bij zetten. Erbij, want hij was ook dichter, schrijver, essayist, retoricus, filosoof, vertaler, publicist, polemist en geleerde. Voorts berijder van een Morgan, roei-instructeur, causeur, belhamel, levensgenieter, uitvinder (van de Guépinomaat, de éénarmige bandiet die in plaats van appels en citroenen zinsdelen genereerde), overtuigd bourgeois, vrolijk, ingewikkeld, trouw, nieuwsgierig, geestig, hartstochtelijk en creatief.

In de index van De beschaving noteerde hij onder het lemma Guépin, J.P.: 'essayist, lijkt rechts, 15, maar is het nog niet, 127, denkt dat het niet leuk is om links te zijn, 230, is dogmatisch, 191, boos, 45, geen goed retoricus, 17, 19, citeert slordig en gehaast, 333, veracht G. Benthem van den Bergh, 156/7, bewondert Carry van Bruggen, 17, en ook Dante's Hel, ondanks morele bezwaren, 290, maar Aeschylus het meest, 405.' Bescheiden was Guépin misschien niet, zelfkennis had hij wel.

Na studie en promotie (op de Griekse tragedie) doceerde (en bedreef, in Afghanistan) hij archeologie, was werkzaam als muntexpert, en werd lector in de literatuurwetenschap, een functie die hij om gezondheidsredenen moest opgeven. Hij raakte gefascineerd door het werk van de man die dankzij hem 'de beroemdste Nederlandse dichter' heet. Het gaat om de vroeg zestiende-eeuwse Janus Secundus, wiens meesterwerk, de Basia ('Kussen'), uiteraard geschreven in het Latijn, Guépin in talloze publicaties, wetenschappelijk en essayistisch, vertaalde en besprak. De belangrijkste daarvan is De kunst van Janus Secundus uit 1991. Dit boek is een meesterwerk. De encyclopedische kennis van Renaissance en Oudheid die hij erin ten toon spreidt is even indrukwekkend als de creativiteit en scherpzinnigheid waarmee hij zijn onderwerp ontleedt. Het enige wat er misschien aan ontbrak was wat eindredactie, maar daar lag Guépins zwakte dan ook: geschreven was geschreven, en dus af. Niettemin verdient Guépin alleen al door dit boek een belangrijke plaats in onze letteren. Binnenkort verschijnt zijn laatste boek, in zo'n beetje het enige genre dat hij nooit eerder beoefende: een roman over Frederik de Tweede.

Guépins stijl, toon en provocerende standpunten zorgden er vaak voor dat hij niet de aandacht kreeg die hij verdiende. Nederland was voor zijn eigenzinnige veelzijdigheid, tomeloze energie en haarscherpe intelligentie wellicht niet de ideale arena. In kleine kring werd hij wel bewonderd.

Tegen het einde van zijn leven realiseerde hij zich dat de filologie, die hij met zo veel overtuiging was blijven bedrijven, niet zijn natuurlijke discipline was. Guépin was, zo wist hij zelf, vooral een man van haast oneindig veel spitse, ongehoorde, eigenzinnige maar prachtige vondsten.

Toen hij onlangs hoorde dat hij ongeneeslijk ziek was, verdeelde hij zijn mooie boeken onder vele vrienden, en verkocht de rest. Die boeken, zo zei hij, staarden hem maar verwijtend aan omdat hij vond dat hij niet genoeg met ze gedaan had. Eén hield hij: Homerus.