Verbeterde C14-techniek versnelt opmars H. sapiens

De moderne mens (Homo sapiens) koloniseerde Europa 41 tot 64.000 jaar geleden. Dat is 5.000 jaar eerder dan uit eerder onderzoek bleek. De kolonisatie verliep ook sneller, niet in 7.000 maar in 5.000 jaar.

Ook is de periode waarin Homo sapiens toen contact had met de verwante Neanderthaler (Homo neanderthaliensis) veel korter dan tot nu toe wordt aangenomen.

Dit schrijft de Britse archeoloog Paul Mellars vandaag in Nature, in een groot overzichtsartikel over deze veelbewogen periode in de prehistorie, waarin de eerste rotstekeningen opduiken en Homo sapiens geavanceerde werktuigen ontwikkelde (ook wel laatpaleolithische revolutie genoemd).

Door nieuw inzicht in de veranderende verhouding in koolstofisotopen in deze periode zijn veel bestaande C14-dateringen opgeschoven (gekalibreerd) naar een grotere ouderdom. Ook blijkt de verandering in de isotopenverhouding veel geleidelijker te verlopen dan tot voor kort werd gedacht. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de tijdspanne die volgens de ongekalibreerde C14-datering duurt van 40.000 tot 35.000 jaar geleden in werkelijkheid liep van 43.000 tot 40.500 jaar geleden. Een tweede onderdeel van de C14-revolutie is een betere techniek om nieuwe dateringen uit te voeren, met minder gevaar voor verontreinigingen. Moderne verontreinigingen van te dateren materiaal laten dat jonger lijken dan het is.

Door de C14-vernieuwingen is nu duidelijk geworden dat H. sapiens 5.000 jaar eerder in Europa aankwam (vanuit het Midden-Oosten) en zich in 5.000 jaar over het continent (tot in Noord-Spanje en Noord-Frankrijk) verspreidde. De kolonisatieperiode was eerst 43- tot 36.000 jaar geleden, nu kan die worden gesteld op 46- tot 41.000 jaar geleden.

In de tijd dat de moderne mens verscheen, leefde daar al vele tienduizenden jaren de nauw verwante Neanderthaler, met een vergelijkbaar leefpatroon als H. sapiens en zelfs met grotere hersenen. Vaak werd de periode waarin de twee menssoorten in het zelfde gebied (Frankrijk en Centraal-Europa) samenleefden op zo'n 10.000 jaar geschat. Paul Mellars schrijft nu in Nature dat die periode niet langer dan 6.000 jaar kan zijn geweest. In centraal-Spanje bleef de Neanderthaler waarschijnlijk het langst voortbestaan, mogelijk tot 25.000 jaar geleden, maar daar waren toen geen moderne mensen.

Mellars vat bestaand onderzoek samen. In 2004 werd bijvoorbeeld al de ouderdom van de oudste (en volgens sommigen ook de mooiste) grottekeningen in de Franse Grotte Chauvet opnieuw becijferd op 36.000 jaar (was 30- à 32.000).