Twee werelden

Oneerlijke Chinese concurrentie komt allang niet meer alleen uit China. In het Italiaanse Prato ontduiken Chinese kledingateliers de Europese regels zelfs met gedoogsteun. 'Laten we zeggen dat ik Luigi heet.'

Luigi, geínterviewde in artikel over Chinese arbeuders in de Italiaanse mode-industrie. Foto Bas Mesters Mesters, Bas

De geur van gedroogde vis en vuurwerk vermengen zich. De negentiende-eeuwse Toscaanse gevels aan de Via Pistoiese in Prato zijn versierd met Chinese karakters. Er zijn geen Italianen op straat, alleen maar Chinezen. Er zijn Chinese belwinkels, Chinese eetzaakjes, Chinese goudsmeden en Chinese computerzaakjes.

Tien jaar geleden was dit nog gewoon een Italiaanse weg die naar Pistoia leidde. Nu is het een van de grootste Chinatowns van Italië en bovendien de uitvalsbasis van de Chinezen bij de verovering van de Europese textielmarkt. Chinezen in Prato importeren niet alleen stoffen en kleding uit China, maar produceren hier ook kleren binnen de EU-grenzen. Kleding met het label 'Made in Italy'.

'Laten we zeggen dat ik Luigi heet', zegt Zhang Yunjing, een Chinese jongeman met Italiaanse zonnebril. Hij is 24 jaar en leidt voor zichzelf, of misschien voor een grote baas op de achtergrond, een goedlopend bedrijf dat vrouwenkleding in Prato maakt en nu vijf jaar bestaat. Na bemiddeling van de voorzitter van de Chinese vriendenvereniging mogen we Luigi's bedrijf bezoeken.

Het is een grote loods op industrieterrein Marcolotto 2, even buiten Prato. Behalve Luigi's zaak bevinden zich er nog tientallen andere Chinese hangars volgepakt met rekken hippe kleding. De jurken, jassen en accessoires bij Luigi zijn oranje, groen, bruin en zwart. De kleuren van dit moment. En op de etiketten staat ook hier 'Made in Italy'.

In het kleine rommelige kantoortje ligt een catalogus van het Italiaanse modehuis Trussardi. 'Wij laten ons inspireren door wat we in de winkels van de bekende modehuizen in Rome zien', vertelt Luigi. Maar hij kopieert niet, zo stelt hij. 'We maken er nieuwe combinaties van. In een week weten we van een idee een blouse of jurk te maken die klaar is voor de verkoop.'

Nederlandse, Duitse, Italiaanse en Chinese inkopers lopen langs de rekken in de hal. De zaak loopt goed, beaamt Luigi. 'Laten we zeggen dat ik een omzet van 2 miljoen euro draai.' Zijn glimlach doet vermoeden dat het even makkelijk het dubbele kan zijn. Hij zegt dat al zijn koopwaar in Prato is gemaakt: 'Geen import.'

Nu de Europese Unie afgelopen zomer opnieuw grenzen heeft gesteld aan de invoer van Chinese kleding moet het hem extra voor de wind gaan. Immers, hij produceert binnen de EU en heeft geen last van die invoerquota. Toch ontkent Luigi dit voordeel resoluut. 'Dat maakt voor mij niks uit', zegt hij.

Giancarlo Maffei van de provinciale Federatie voor ambachtslieden ziet dat anders. Uit een onderzoek dat hij hield onder 53 Chinese bedrijven in Prato blijkt dat hun omzet met 30 procent is gestegen sinds de blokkade. 'Er zijn sinds een half jaar ook veel meer illegale Chinezen in Prato, wat er op duidt dat er meer werk is', aldus Maffei. Ook Ye Huiming (zelf tweede generatie Chinees in Italië) van de Italiaanse vakbond CISL zegt dat de Chinezen direct na de afkondiging van de blokkade in juni tientallen nieuwe productieateliers hebben geopend in Prato. De Chinese productie binnen Europa neemt volgens de vakbond toe.

De jonge ondernemer Luigi heeft haast en wil zijn klanten weer gaan helpen. Op de vraag hoe hij in staat is om te concurreren met de goedkope Chinese importproducten, antwoordt hij dat hij zich richt op een iets hoger segment in de markt en ook sneller kan opereren dan de Chinezen in China. 'Vanuit China heb je een maand nodig om een nieuw product in Europa op de markt te krijgen, wij doen dat in een week.'

Luigi vertelt niet dat hij in Europa ook gebruik kan maken van zeer goedkope Chinese naaiateliers, namelijk die van Prato. Voor de 300 veelal legale Chinese bedrijven in Prato die eindproducten maken, werken 1.300 Chinese naaiateliers die zeer goedkoop zijn, eenvoudigweg omdat ze zich niet aan de regels houden. Het is vrijwel onmogelijk om deze bedrijven te bezoeken, vertelt wethouder Andrea Frattani. 'Italianen worden er weggehouden, maar als wethouder heb ik de Chinese fabriekjes diverse keren bezocht. De mensen slapen, eten en werken in dezelfde ruimte. Een werkdag duurt van 's ochtends elf uur tot vier uur in de nacht.' Dat elke Chinese textielondernemer 'nee' zegt op het verzoek van een journalist om zo'n fabriekje te bezoeken, is volgens Frattani dan ook niet verbazingwekkend.

Hij is wethouder van de partij de Communistische Heroprichting, die nog het beste te vergelijken is met de Nederlandse SP. Als ideologisch afstammeling van Marx en Lenin worstelt hij zichtbaar met zijn positie. 'Als wethouder integratie moet ik de relatie met de Chinezen goed houden en zorgen dat de integratie op gang komt. De prijs die ik daarvoor betaal is dat ik de arbeidsomstandigheden in de fabriekjes persoonlijk niet te openlijk aan de kaak kan stellen.'

Toch laat hij in Prato voldoende zien om vast te stellen dat de volgens veel Italianen oneerlijke Chinese concurrentie op de textielmarkt al lang niet meer alleen uit China komt. Zelfs binnen de grenzen van de EU wordt gedoogd dat Chinezen de wetten op de arbeidsomstandigheden ontduiken om zo goedkoper te produceren. De strenge controles die de EU van China eist op de arbeidsomstandigheden in de textielfabrieken in China zelf, blijken in EU-land Italië niet realiseerbaar.

Volgens Maffei van de provinciale Federatie voor ambachtslieden proberen de autoriteiten er wel wat aan te doen, maar valt het fenomeen bijna niet te bestrijden. 'Als je vandaag tien bedrijven die niet aan de regels voldoen sluit, dan zijn er morgen weer vijftien andere geopend.'

De foto's van kapitein Demetrio Conti van de financiële politie in Prato illustreren wat Maffei en Frattani vertellen. Conti toont beelden van Chinese naaiateliers waar hij met zijn eenheid is binnengevallen. Het betreft kleine hokken waar bedden en naaimachines naast elkaar staan, met hier en daar etensresten op de grond. Conti stuit met zijn eenheid echter ook op andere onrechtmatigheden: belastingontduiking en vervalsingen door te suggereren dat geïmporteerde kleding in Italië is gemaakt.

Conti relativeert het idee dat de Chinezen op grote schaal in Prato produceren. In tegenstelling tot Maffei meent hij dat verreweg de meeste kleding die de Chinezen in Prato verhandelen uit China is geïmporteerd. 'De arbeid in Prato beperkt zich vaak tot het innaaien van een etiket met de tekst 'Made in Italy' en van labels met namen als 'Giuseppe', 'Giovanni' of 'Uomo Latino'. Chinese producten worden hier genationaliseerd tot Italiaanse merkkleding.' Het afgelopen jaar heeft Conti met zijn eenheid 200.000 stuks van dergelijke vervalste kleren in beslag genomen. In totaal met een verkoopwaarde van 10 miljoen euro.

'Door deze vervalste producten wordt de Europese consument bedonderd. Hij denkt Italiaanse merken te kopen, maar krijgt een Chinese trui of broek. Ook de Italiaanse producenten lijden hierdoor veel schade', zegt Conti.

Conti maakt zich zorgen. 'Er wordt door Chinezen op reusachtige schaal geïnvesteerd in Prato. In een mum van tijd weten ze reusachtige bedrijven uit de grond te stampen.' Wethouder Frattani vermoedt dat de ontwikkeling in Prato vanuit China op het hoogste niveau wordt aangestuurd. 'Maar wij weten niet hoe het functioneert en hoe in een paar jaar een heel bedrijventerrein in Chinese handen kon komen.' Duidelijk is volgens hem wel dat het de Chinezen uiteindelijk niet om de productie gaat, maar om de distributie. 'Deze veel lucratievere handel is nu nog in handen van de Noord-Europeanen, Duitsers, Nederlanders en Zweden, maar de Chinezen willen die hoge marges zelf gaan incasseren.'

Zo bezorgd als Conti en Frattani zijn, zo ontspannen reageren de vertegenwoordigers van de lokale Industrie Unie op de stormachtige groei van het aantal Chinese bedrijven. Opvallend genoeg hebben deze industriëlen weinig openlijke kritiek op de Chinese invasie. Volgens medewerker Enrico Mongatti van de Industrie Unie zijn de Chinezen actief in een ander marktsegment. Dat beaamt de jonge succesvolle ondernemer Sandro Ciardi, die stoffen levert aan Gap, Armani en andere bekende merken. Allereerst, zo zegt hij, zijn de Chinezen meer actief in de productie van kleding, terwijl de grote Prateser bedrijven gespecialiseerd zijn in het maken van stoffen voor de mode-industrie. Op dat terrein is Prato met een omzet van 4 miljard euro de grootste productiekern van Europa.

Daarnaast werken de Italiaanse kledingproducenten voor de hogere segmenten van de markt en de Chinezen voor de lagere, zegt Ciardi. 'Hierdoor is er eigenlijk sprake van twee werelden die elkaar nauwelijks ontmoeten.' Alleen de Prateser ambachtslieden hebben te lijden gehad onder komst van de Chinezen. 'Die hebben het moeilijk', beaamt Ciardi.

Maar er blijkt nog een andere reden te zijn voor de ontspannen reactie van de Prateser industriëlen op de aanwezigheid van de Chinezen, zo blijkt uit een rapport dat het onafhankelijke onderzoeksbureau Censis vorig jaar heeft gepresenteerd aan het Italiaanse parlement. Volgens Censis zijn de Italiaanse ondernemers medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling van de zwarte Chinese economie in Prato, voor de tewerkstelling van illegalen, de buitenproportionele werktijden en de lage betalingen. Zij zijn het die de gastarbeiders naar Prato hebben gehaald en zij zijn het die nu ook gebruikmaken van de goedkope diensten van de Chinese ondernemers.

'De relatie tussen Chinese productieateliers en Italiaanse bedrijven', zo stelt het rapport, 'biedt de Italiaanse textielbedrijven de mogelijkheid hun flexibiliteit te maximaliseren, hun productie uit te besteden en de kosten te minimaliseren [] op een manier die niet mogelijk zou zijn geweest zonder gebruik te maken van de zwarte economie.' De aanwezigheid van de Chinezen in Prato voorkomt dat de Italianen hun bedrijven naar China moeten verplaatsen om te overleven.

En zo bestaat in Prato een wankel evenwicht. De stad heeft 180.000 geregistreerde inwoners, maar hoeveel Chinezen er wonen weet niemand precies. 6.800 stelt het bevolkingsregister van de gemeente. 10.000 tot 15.000, beweert Ye Huiming van de vakbond CISL. 20.000 tot 30.000 schat de voorzitter van de Chinese vriendenvereniging.

Terwijl inmiddels vier van de tien kinderen die er worden geboren Chinees zijn, leven de bevolkingsgroepen volgens Ye Huiming volstrekt langs elkaar heen. 'De Chinezen spreken de Italiaanse taal niet en zetten zich niet in om die te leren.' Binnen de Chinese gemeenschap neemt de onrust volgens hem toe, omdat steeds meer arme landgenoten uit de provincie Fujian uit het oosten van China naar Prato komen. 'Dat zijn de zwarte schapen die prostitutie en criminaliteit brengen. Door deze ontwikkeling krijgen de Chinezen langzaam een slechte naam en worden ze niet meer ontvangen als bruikbare harde werkers.'

Vooralsnog blijft het echter verrassend rustig en blijft ook het aantal racistische uitlatingen van Italiaanse zijde beperkt.

Deze tolerantie heeft volgens zowel wethouder Frattani als Giancarlo Maffei van de Federatie van ambachtslieden te maken met het feit dat de Chinezen ook veel geld in het laatje brengen. Iedereen knijpt daarom een oogje dicht als het gaat om de uitbuiting van Chinese werknemers en vervalsingen van etiketten of de ontduiking van de importquota. Want in Prato weten ze al lang dat China die quota omzeilt door eerst naar Cambodja of Dubai te exporteren om zijn spullen vervolgens als in die landen geproduceerd textiel Europa binnen te loodsen.

Zo lang de Chinezen werk en inkomen opleveren voor Prato, is er voor de Italianen geen reden om te protesteren, zegt wethouder Frattani: 'De Chinezen kopen huizen op, investeren in nieuwe industrieterreinen, zijn aantrekkelijk voor de lokale bankensector, leveren goedkope arbeid, kopen stoffen van de Italiaanse bedrijven en nemen steeds meer Italianen aan als stilisten.' Zelfs de Italiaanse ambachtslieden die hun baan kwijt raakten door de concurrentie met de goedkope Chinezen, hebben zich bij de situatie neergelegd.

Frattani: 'Zij vullen hun pensioen aan met de huur die de Chinezen betalen voor hun voormalige ateliers.'