Terreur tegen moslims

Verreweg de meeste slachtoffers van terreurdaden die worden gepleegd door moslims, zijn moslims. Van een wereldwijde, eensgezinde geloofsgemeenschap, de zogenoemde umma, is geen sprake. Dat werd gisteren opnieuw duidelijk door het opblazen van de koepel van de gouden moskee van de shi'ieten in de Iraakse stad Samarra, waarschijnlijk door sunnieten. Bij de aanslag zelf vielen geen doden, maar de symbolische betekenis van de verwoesting is des te groter. Het gaat hier om een van de belangrijkste heiligdommen van de shi'ieten, de grootste moslimgroep in Irak. In de moskee liggen twee shi'itische imams uit de negende eeuw begraven. De woede onder de gelovigen over deze verwoesting is dan ook veel groter dan die over de 22 burgers die een dag eerder omkwamen bij een bijna routineus geworden zelfmoordaanslag in een eveneens shi'itische wijk in Bagdad.

Vooral sunnitische Irakezen en anderen zijn erop uit het land met terreuraanslagen te ontwrichten en zelfs in een burgeroorlog te storten. Hun motieven zijn duidelijk. Door de Amerikaanse inval en de daaropvolgende verjaging van het Ba'ath-regime, hebben zij de almacht verloren die zij onder Saddam Hussein nog over het land hadden. Als religieus-etnische minderheid dreigen deze sunnitische Arabieren nu verdrukt te raken tussen de shi'ieten in het zuiden en de eveneens sunnitische Koerden in het noorden.

Toch gooien de terroristen met hun nieuwe offensief hun eigen glazen in, want de uitkomst van een burgeroorlog kan voor de sunnitische minderheid alleen maar slechter zijn. De shi'ieten hebben de macht van het getal en de Koerden werken aan een zelfstandige status in Noord-Irak. In de nieuwe grondwettelijke structuur van het land, is aan het sunnitische deel van de bevolking nu nog enige macht toebedeeld, ook al is het aanzienlijk minder dan in het verleden. De federalisering van het bestuur garandeert aan sunnieten een zekere mate van invloed, met de mogelijkheid mee te profiteren van de olie die buiten het sunnitische gebied wordt gewonnen.

De recente terreurdaden maken het voor de invloedrijke shi'itische groot-ayatollah van Najaf, Al Sistani, lastig zo niet onmogelijk om de kalmte onder zijn volgelingen te bewaren. Tevergeefs heeft hij al opgeroepen tot geweldloos protest en nationale rouw. Overal worden sunnitische moskeeën aangevallen, waarbij al ongeveer honderd doden zijn gevallen. De radicale shi'itische geestelijke Muqtada al-Sadr wint aan invloed.

Al Sistani en de Amerikaanse en Britse regeringen oefenen nu druk uit op de hopeloos verdeelde Iraakse politieke leiders om een coalitie te vormen met gekozen politici. Hoe langer dat duurt, des te groter het risico wordt dat het conflict escaleert tot een burgeroorlog. De Iraakse leiders hebben het heft ook zelf in handen: elektriciteit en veiligheid zijn belangrijker voor de meeste burgers dan het voeren van etnische strijd.

De binnenlandse terreuroorlog in Irak draagt inmiddels bij aan een rijke iconografie van (deels fictieve) beelden van Amerikaans of westers wangedrag, zoals dat in de Abu Ghraib gevangenis. Die beelden van schandelijke incidenten in het verleden maken veel moslims wereldwijd woedend, zoals ook weer blijkt uit een omstreden Turkse actiefilm over Irak. Zeker, Amerikaanse troepen hebben veel fouten gemaakt in Irak. Maar de huidige Iraakse leiders moeten zich ook rekenschap geven van hun eigen aandeel in de chaos in hun land.

Rectificatie / Gerectificeerd

Het hoofdartikel Terreur tegen moslims (23 februari, pagina 9) vermeldt dat overal in Irak sunnitische moskeeën worden aangevallen, waarbij al ongeveer honderd doden zijn gevallen. Dit is onjuist. De doden, onder wie veel shi'ieten, zijn meestal niet bij de moskeeën gevallen maar overal in het land door geweld van sunnieten.