Paaiplaats aal beter in kaart

Een Japanse wetenschapper meent dat hij de paaiplaats van de Japanse paling heeft ontdekt. Palingkenner Willem Dekker vindt echter dat het definitieve bewijs nog niet is geleverd.

Het raadsel van de paling is opgelost. Dat beweert tenminste de Japanse onderzoeker Katsiumi Tsukamoto van het Ocean Research Institute van de universiteit van Tokio. Vandaag publiceert hij in het Britse wetenschappelijke tijdschrift Nature over de herkomst van de Japanse paling (Anguilla japonica). Maar niet iedereen is overtuigd.

Japanse palingen zetten hun eitjes af op de onderzeese bergen van de Marianenrug, ten oosten van de Filippijnen. Tsukamoto verzamelde in juni 2005 tijdens een onderzoekstocht met het schip RV Hakuho Maru op de Filippijnse Zee 130 zogeheten pre-leptocephale larven: doorzichtige larfjes van 4 tot 6,5 millimeter groot. Via DNA-testen toonde hij aan dat het Japanse palingen betrof.

Uit de gehoorsteentjes van de visjes kon Tsukamoto afleiden dat ze nog maar twee tot vijf dagen oud waren. Hij trof uitsluitend larven aan even ten westen van de Suruga zeeberg in het zuidelijke deel van de Marianenrug. De paaiplaats is volgens Tsukamoto zo beperkt omdat larven alleen van daaruit in de juiste zeestroom terecht komen. Die voert hen in noordelijke richting naar Oost-Azië waar zij als volwassen aal de rivieren op zwemmen. Mysterie opgelost.

Maar visserijbioloog en palingkenner Willem Dekker van het Nederlands Instituut voor Visserij Onderzoek in IJmuiden vindt dat veel te vroeg gejuicht. 'Tsukamoto heeft al eerder in wetenschappelijke publicaties geclaimd dat hij de oorsprong van de Japanse paling had gevonden. Telkens is hij er wel een stapje dichterbij gekomen, maar ook nu heeft hij weer geen definitief bewijs.'

Volgens Dekker maakt Tsukamoto dezelfde fouten als de Deen Johannes Schmidt die in de jaren twintig van de vorige eeuw beweerde de paaigronden van de Europese paling (Anguilla anguilla) te hebben ontdekt in de Sargassozee. Schmidt toonde op die plek het bestaan van jonge larven aan, maar de precieze locatie van de paaigrond is ook hier nog steeds een raadsel.

Dekker: 'Tsukamoto maakt twee methodische fouten. Ten eerste heeft hij geen schijn van bewijs dat er in het gebied dat hij aanwijst ook volwassen palingen voorkomen. Wie weet waar de eitjes in de oceaan hebben rondgedobberd voor ze uitkwamen? Ten tweede heeft hij zich laten leiden door zijn verwachtingen, en verzuimd andere plaatsen op larven te controleren.'

Volgens Dekker is het mysterie dus nog steeds niet opgelost. Hij zet het kracht bij met een grap: 'Aristoteles zei dat palingen gewoon uit de modder ontstonden. Er is tot op heden niet bewezen dat deze oudste en eenvoudigste hypothese niet klopt.'

Aan de jacht op de paaiplaats van palingen zit een praktische kant. Palingen planten zich in gevangenschap niet voort. Alle gekweekte palingen (het gaat wereldwijd om tweehonderdduizend ton) worden eerst in het wild gevangen als glasaal en dan verder opgekweekt. Volgens Dekker dringt de tijd, want de wilde paling staat ernstig onder druk. De populatie is nog maar enkele procenten van die van 20 jaar geleden.