Olie brengt Tsjaad geen hoop

De Wereldbank probeert haar modelproject in Afrika deze maand met alle macht te redden. Rij mee achterop de brommer van een Kameroenees, en ontdek waarom de plaatselijke bevolking er weinig vertrouwen in heeft.

Het project moest voor een kentering in Afrika zorgen. Nooit in de neokoloniale geschiedenis van Afrika is de bevolking beter geworden van een groot infrastructureel project. De aanleg van een 1.070 kilometer lange ondergrondse pijpleiding van Tsjaad naar de kust in Kameroen waardoor sinds drie jaar olie stroomt, moest een voorbeeld voor Afrika zijn.

De Wereldbank heeft die hoop niet opgegeven, zei Mohammed Bekhechi van de Wereldbank gisteravond op een discussiebijeenkomst van milieuorganisaties Both Ends in Den Haag. Al gaf hij toe dat het project in een impasse zit sinds Tsjaad de afspraken met de Wereldbank eind december eenzijdig verbroken heeft.

Nergens in Afrika heeft de winning van olie tot ontwikkeling geleid. De grootste Afrikaanse olieproducent Nigeria heeft sinds 1960 ruim 300 miljard dollar aan de olie verdiend. In diezelfde periode is het percentage Nigerianen onder de armoedegrens gestegen van 20 tot meer dan 70 procent. Andere Afrikaanse olielanden zoals Angola, Soedan en Equatoriaal Guinee is het net zo vergaan. In al die staten heeft de exploitatie van olie corruptie, wanbestuur en conflicten gezaaid, de rest van de economie ontregeld en het milieu geschaad. Wat een zegen moest zijn, bleek een vloek.

In Tsjaad zou de Wereldbank die vloek doorbreken. Voor het eerst werd oliewinning in dienst van armoedebestrijding gesteld. Bij wet regelde de regering in 1999 hoe de inkomsten uit olie verdeeld zouden worden. 70 procent zou voor ontwikkelingsprojecten worden gebruikt in sectoren als onderwijs en gezondheidszorg. 5 procent zou rechtstreeks naar de regio gaan waar de olie wordt gewonnen. 10 procent zou worden gestopt in een fonds dat dient als spaarpot voor als de olie over 25 jaar op is. 15 procent zou vrij door de regering kunnen worden besteed. Alle inkomsten zouden worden gestort op een rekening van de Citibank in Londen, zodat controle gewaarborgd was.

De Wereldbank heeft het project gesteund met een lening van 240 miljoen dollar. In het kielzog heeft ook de Europese Investeringsbank een lening van 88 miljoen dollar verstrekt. Kruimelwerk vergeleken bij de totale kosten van 4,2 miljard dollar die voor het leeuwendeel worden gedragen door een consortium onder leiding van het Amerikaanse olieconcern ExxonMobil. Maar de bijdragen van de banken waren cruciaal om het project van de grond te krijgen in een land dat net twintig jaar burgeroorlog achter de rug had en waar een staatsstructuur nagenoeg ontbreekt. Wereldbank-vertegenwoordiger Bekhechi erkende gisteren dat de bank aanvankelijk 'zeer sceptisch' tegenover het project stond maar uiteindelijk 'de gok heeft genomen'. Op de ontwikkelingsranglijst van de VN staat Tsjaad op de drie na laatste plaats (173ste van de 177). Het olieproject bracht, zei Bekhechi, in een van de armste landen ter wereld 'de hoop op ontwikkeling'.

Twee maanden geleden wijzigde Tsjaad de wet die het fundament vormde van die hoop. De regering schrapte de spaarpot voor de toekomst om een groter deel van de olie-inkomsten vrijelijk te kunnen besteden. De 70 procent die voor ontwikkeling is bestemd, kan voortaan ook worden gebruikt voor lokaal bestuur en nationale veiligheid. Lees: voor aankoop van wapens en betaling van het leger om rebellen aan de grens met Soedan te bestrijden.

De Wereldbank reageerde ongekend hard en snel. Haar geloofwaardigheid stond op het spel. Ze schortte alle nu uitstaande leningen op ter waarde van 124 miljoen dollar. De rekening bij de Citibank in Londen werd geblokkeerd. Volgens Bekhechi heeft de bank nooit eerder zo'n sanctie opgelegd. Inmiddels is begin deze maand in Parijs het overleg tussen Tsjaad en de bank hervat. Bekhechi hoopt dat die dialoog tot een oplossing leidt die de armoedebestrijding in Tsjaad veiligstelt en ook rekening houdt met de begrotingsproblemen van de regering.

Volgens directeur Jan Willem van der Kaaij van de Europese Investeringsbank is het in elk geval te vroeg om het project af te schrijven als fiasco. 'Het vonnis staat nog niet vast.' Dick de Zeeuw van de internationale adviesgroep voor de pijpleiding Tsjaad-Kameroen vindt dat de bank en Tsjaad moeten blijven praten. Al kan hij tientallen voorbeelden noemen van wat er niet deugt aan het project. Al wordt hij het moe om steeds maar met dezelfde aanbevelingen te komen die toch niet worden uitgevoerd. 'Maar er staat zoveel op het spel. Dit project mag niet mislukken.'

Voor de plaatselijke bevolking is het project al mislukt. Rij mee langs de pijpleiding achterop de brommer van Honoré Ndoumbe, bestuurder van de Kameroenese belangenorganisatie Focarfe. Hij beschreef zijn tochten gisteren in Den Haag. Bij de olieterminal waar de pijpleiding eindigt, klagen de vissers over kapotte netten en ontwrichting van hun visgrond. In het binnenland vertellen pygmeeën over de vernietiging van hun leefgebied. De aanleg van de pijpleiding heeft het stropen en illegaal kappen van hout veel makkelijker gemaakt. En nergens in Tsjaad en Kameroen is de armoede verminderd. Volgens Bekhechi van de Wereldbank mag je dat na drie jaar ook nog niet verwachten. Maar corruptie en wanbeleid als gevolg van oliewinning zijn wel breeduit zichtbaar. Het College dat op de uitvoering van ontwikkelingsprojecten toeziet, heeft dat vorig jaar beschreven. Tsjaad is inmiddels het meest corrupte land ter wereld. Oliewinning en ontwikkeling lijken in Afrika slecht samen te gaan.