Wie krijgt greep op diaspora?

[...] In West-Europa wonen 25 miljoen moslims - gastarbeiders en hun vrouwen, kinderen en kleinkinderen. De oorspronkelijke arbeiders zijn merendeels geworven tijdens de economische bloei van de jaren zestig. Afgezien van de geforceerd-opgewekte bijstand van kerkelijke groeperingen en maatschappelijk werkers zijn zij amper welkom geheten, maar in principe ging men ervan uit dat na een paar generaties toch een zekere mate van assimilatie zou optreden. Een realistische veronderstelling, maar de realiteit veranderde. Er kwamen een oliecrisis, werkloosheid, 11 september en de oorlog in Irak, en verzet tegen immigranten - in Europa ooit voorbehouden aan orthodoxe communisten en uiterst rechts - kreeg een plaatsje in het progressieve gedachtegoed. Een heel belangrijke gebeurtenis was ook de internetrevolutie. Hiermee is de rekrutering voor de jihad pas goed op gang gekomen, die een nieuwe generatie Europese moslims voorhield dat aansluiting bij de militante islam de enige ware assimilatie was. In die generatie is een krachtmeting opgelaaid die maar weinig te maken had met het dagelijks leven van haar leden, of met hun reële grieven. Die krachtmeting had te maken met de islamitische machtsstrijd in het Golfgebied, waar het niet alleen ging om olie, maar ook om de greep op de islamitische diaspora, of wat je de internationale islam zou kunnen noemen. Het was alle betrokkenen duidelijk dat als de diaspora in Europa een moderne, kritische, democratische islam voortbracht, de dagen van de islamistische regimes in het Midden-Oosten geteld zouden zijn.[...]

(Commentaar van Jane Kramer, Europacorrespondent van The New Yorker)