Shenzhi Li wil zijn ouders naar Zweden

Waar eindigt de bevoegdheid van Europese landen over immigratie? Hebben ouders van een genaturaliseerde Chinees het recht op vrij verkeer in de EU? Daarover boog zich gisteren het Europees Hof van Justitie.

Svanja Schallehn strijkt met beide handen over haar buik en zegt: 'Het zou heel wrang zijn als mijn schoonouders daar niet bij zijn en terug moeten naar China. Bovendien kunnen we ons bedrijf dan wel vergeten. Zonder mijn schoonouders redden we dat niet.'

Svanja Schallehn is Duitse. Ze is getrouwd met de Chinees Shenzhi Li en begin van de zomer verwachten ze een kind. Ze wonen sinds 1995 in Västeras in Zweden, waar ze een reisbureautje leiden. Sinds drie jaar liggen ze met de instanties in de clinch om de ouders van Shenzhi Li, moeder Yunying Jia (64) en vader Yupu Li (65), officieel naar Zweden te halen.

Op het eerste gezicht lijkt dit een ver-van-ons-bedshow. Maar schijn bedriegt, want de 'zaak-Jia', zoals die in de procedures kortweg heet, heeft ook gevolgen voor Nederland. Dat komt doordat zij speelt op het snijvlak van nationale en Europese bevoegheden en gaat over drie gevoelige onderwerpen: immigratie, vrij personenverkeer en gezinshereniging.

Moeder en vader Li kwamen respectievelijk in mei en september van 2003 op toeristenvisa naar Zweden. Ze vroegen verblijfsvergunningen aan, die werden afgewezen. Daartegen tekenden ze beroep aan bij Utlänningsnämnden. Deze Zweedse uitzettingsdienst stuitte op zó veel Europeesrechtelijke aspecten, dat zij de zaak voorlegde aan het Europees Hof van Justitie in Luxemburg.

Het Hof bood de betrokken partijen gisteren gelegenheid hun standpunten mondeling toe te lichten. Daarbij tekende zich een botsing af tussen enerzijds de Europese Commissie en anderzijds Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Ofwel tussen aanhangers van verdere liberalisering van het personenverkeer en pleitbezorgers van een strenger immigratiebeleid.

Nederland en het Verenigd Koninkrijk benadrukten de nationale zeggenschap over toelating van immigranten uit niet-EU-landen, zogenoemde derdelanders. Ze willen die bevoegdheid duidelijk afbakenen: de lidstaten moeten over toelating beslissen en pas wanneer zij een 'bewijs van wettig verblijf' hebben afgegeven, vallen derdelanders onder het EU-recht. Dit is de enige juiste volgorde, betoogden Nederland en het Verenigd Koninkrijk.

Niemand betwist die nationale bevoegdheid, maar zij staat wel onder druk doordat de Europese lidstaten sinds 1999 streven naar een gemeenschappelijke aanpak. En dat betekent minder nationale armslag. Tot dusver concentreert de Europese bemoeienis zich op het gelijktrekken van de nationale procedures. De kern is dat de lidstaten derdelanders doorgaans alleen nog toelaten na voorafgaande individuele beoordeling, waarbij nationale accenten zijn toegestaan. De eisen die ze stellen, hebben ze de laatste jaren steeds verder aangescherpt, zo ook Nederland.

De Europese Commissie wil op papier niet tornen aan de nationale zeggenschap over immigratie, maar zij laat het belang van het vrije personenverkeer prevaleren. Het recht van EU-burgers om zonder grenscontroles in andere lidstaten te reizen en te verblijven wordt steeds vollediger. En die ontwikkeling, vindt de Commissie, moet niet worden gefrustreerd door nationale hindernissen op te werpen voor gezinsleden uit derde landen.

De Europese Commissie wees ook op het belang van bescherming van het gezinsleven van EU-burgers, een grondrecht dat is opgenomen in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). De Europese regeringsleiders erkennen dat het voor EU-werknemers uit menselijk oogpunt van belang is om samen te kunnen wonen met hun familie. En het Luxemburgse Hof stelde al eerder vast dat het uitsluiten van een persoon uit een land waar zijn naaste verwanten wonen, een inbreuk kan vormen op dit recht op eerbiediging van het gezinsleven. Maar de vraag is of moeder Jia en vader Li daar ook onder vallen.

Nederland en het Verenigd Koninkrijk maakten ernstig bezwaar tegen de wijze waarop de Europese Commissie dit familierecht aanriep. Natuurlijk, zo voerden beide landen aan, moeten EU-landen rekening houden met het recht op familieleven. Maar het kan volgens Londen en Den Haag niet zo zijn dat iedere derdelander die naaste familie is van een EU-burger na binnenkomst in de Unie automatisch reis- en verblijfsvrijheid krijgt.

Eind april geeft advocaat-generaal A. Geelhoed zijn visie op de zaak-Jia. Zijn conclusie dient als advies aan het Hof, dat vermoedelijk na de zomer arrest zal wijzen. Dat geldt dan als richtsnoer voor de beslissing van de Zweedse autoriteiten over het lot van Yunying Jia en Yupu Li.