Puntgave prenten uit het dagelijks leven

Tentoonstelling: Prenten in de Gouden Eeuw; van kunst tot kastpapier. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. T/m 19/3. Publicatie, € 32,50. Inl.: 010-4419475 of www.boijmans.nl

Een fascinerende expositie in Museum Boijmans Van Beuningen slingert de bezoeker heen en weer tussen de uitersten van kwetsbare kunstobjecten en nonchalant behandelde gebruiksvoorwerpen. Van kunst tot kastpapier luidt de ondertitel: getoond wordt hoe prenten uit de Hollandse Gouden Eeuw, die als kunstwerken bedoeld waren, konden eindigen als plakpapier op kisten en meubelstukken. Zo is er een tot een soort secretaire omgebouwde scheepskist, waarvan de laden en de binnenzijden van de deurtjes zijn beplakt met allerlei prenten.

Maar evengoed zou je de ondertitel kunnen omdraaien: onooglijk drukwerk, verpakkingsmateriaal voor pijptabak en spotgoedkope 'centsprenten' worden nu met alle egards behandeld. Ze hebben het geschopt tot een museale opstelling, gevangen in het gedempte licht dat hoort bij kwetsbare kunstwerken op papier.

De expositie zelf maakt duidelijk wat blootstelling aan teveel licht kan doen met prenten. Naast elkaar hangen twee etsen met een identieke voorstelling, van de hand van Johannes Glauber. Een ziet eruit als nieuw, met de blauwe kleur van het papier. De voorstelling is in zwarte inkt gedrukt en met bladgoud versierd. Het blauw van het andere blad, dat blijkbaar ergens aan de wand heeft gehangen, is verschoten tot beige.

Een verwijzing naar de zeventiende-eeuwse praktijk van presenteren van zulke prenten is ook het feit dat de bladen zonder passepartout zijn ingelijst. Het gebruik van het vermenigvuldigde beeld in de Hollandse zeventiende eeuw staat centraal in deze tentoonstelling.

Prenten moeten destijds een nog veel bredere verspreiding hebben gekend dan doorgaans wordt aangenomen. Hun uiteenlopende functies overstijgen het beeld van etsen en gravures als louter verzamelobjecten voor kunstkenners. Sporadische boedelinventarissen verraden daar iets van. En uit schilderijen van interieurs, maar ook oude poppenhuizen, blijkt dat prenten vaak werden opgehangen. In huishoudens met een laag inkomen vormden ze een goedkoop alternatief voor olieverfschilderijen; de meer welgestelden hingen prenten samen met schilderijen op.

De grote verdienste van deze expositie is de manier waarop soms uiterst zeldzame prenten boven water zijn gehaald. Want de paradox van gebruiksgrafiek is dat de oplagen weliswaar groot moeten zijn geweest, maar dat er heel weinig van is overgebleven. Geïllustreerde nieuwsberichten over oorlogshandelingen, natuurrampen of aangespoelde zeemonsters werden gelezen en daarna weggegooid, bordspellen en speelkaarten werden uitgeknipt en gebruikt tot ze versleten waren. Des te verbluffender is de hoeveelheid van soms puntgave voorbeelden van dergelijk materiaal.

Maar de expositie en de voortreffelijke publicatie van de hand van prentenexpert Jan van der Waals bieden meer dan dat. Er wordt ook een zeventiende-eeuwse wereldbeeld opgeroepen dat naast bekendere voorstellingen in het duurdere segment moet hebben bestaan. Onderwerpen uit de vaderlandse geschiedenis en uitbeeldingen van de seizoenen en elementen waren populair, maar ook frivolere thema's zoals een tamelijk expliciete vrijage van een man en een vrouw, naar ontwerp van de Haarlemse schilder Johannes Torrentius, die moet hebben gegrossierd in dergelijk werk.