Priester die het Vaticaan vele miljoenen kostte

'Als de duivel bestond, als hij zich als priester zou verkleden en tot overmaat van ramp ook nog binnen de muren van het Vaticaan zou wonen, dan zou hij de gelaatstrekken van Paul Casimir Marcinkus hebben.' Met deze woorden begint het portret van de Italiaanse krant la Repubblica vandaag over de maandagavond overleden Marcinkus.

Marcinkus is een priester die het Vaticaan honderden miljoenen euro kostte, die zaken deed met de bankier van de maffia, Michele Sindona, en die in verband werd gebracht met de nog immer niet opgeloste dood van de 'bankier van God' Roberto Calvi, president van de Banco Ambrosiano, die in 1982 bungelend aan een Londense brug werd aangetroffen met een aantal bakstenen in zijn jaszak. Uiteraard, zo schrijft la Repubblica, 'wensen we hem (Marcinkus), in de christelijke zin, de vergiffenis van Onze-Lieve-Heer en het paradijs toe'.

Op 84-jarige leeftijd is deze wellicht beroemdste en beruchtste bankier ter wereld overleden. Al lang niet meer als de machtige en bij vrijwel alle Italiaanse financiële schandalen van de jaren zeventig en tachtig betrokken president van het Instituut van Religieuze Werken, de bank van het Vaticaan. Maar als een gepensioneerde parochiepastoor in het Amerikaanes Phoenix, waarheen hij in 1990 werd verbannen door paus Johannes Paulus II.

Geboren in 1922 als kind van een Litouwse immigrant die in Cicero Illinois (VS) als glazenwasser werkte, werd Marcinkus in 1947 priester gewijd. Twintig jaar later was deze robuuste man de persoonlijke lijfwacht van paus Paulus VI tijdens diens reizen naar het buitenland. En in 1969 werd hij benoemd tot president van het Instituut van Religieuze Werken, de bank van het Vaticaan.

Deze bank beheerde onder meer de schadevergoeding die de kerk bij het Verdrag van Lateranen (1929) had gekregen van Benito Mussolini voor het verlies van haar wereldlijke macht na de eenwording van Italië in 1870. Het patrimonium van de bank van het Vaticaan groeide snel onder leiding van de eerste president Bernardino Nogaro die investeerde in goede en minder goede werken, zoals de wapenindustrie. Eind jaren zestig wilde het Vaticaan af van deze compromitterende belangen in Italiaanse bedrijven.

En Marcinkus, die in 1969 tot bisschop was gewijd, krijgt de opdracht dat proces als president van het Instituut van Religieuze Werken te leiden. Met zijn efficiënte optreden verovert hij snel het vertrouwen van de internationale financiële wereld, maar hij zuivert de naam van het Vaticaan niet.

In 1971 komt hij via Sindona in contact met Roberto Calvi van de Banco Ambrosiano. Ze vormen in Nassau, in het fiscaal paradijs van de Bahama's, een nieuwe bank. De zaken lopen goed en in 1978 heeft Johannes Paulus zo veel vertrouwen in hem dat hij Marcinkus benoemt tot de man die zijn buitenlandse reizen moet organiseren.

Dan gaat in 1982 alles mis. De Banco Ambrosiano gaat failliet en Roberto Calvi wordt dood aangetroffen in Londen. Zelfmoord wordt gezegd, maar als gevolg van speurwerk van Calvi's zoon is nu in Rome een nieuwe justitieel onderzoek geopend naar deze zaak. Ook Marcinkus wordt meteen na de ineenstorting van de Banco Ambrosiano onderzocht. Vele occulte financiële praktijken komen aan de oppervlakte en het Instituut voor Religieuze Werken wordt omsingeld door schuldeisers. Marcinkus ontspringt steeds de dans, zelfs nadat Calvi in een later ontdekte brief aan de paus blijkt te hebben bekend dat hij in opdracht van hoge Vaticaanse functionarissen de strijd tegen het communisme in Zuid-Amerika financierde.

In 1984 koopt het Vaticaan de schulden als gevolg van het faillissement van Ambrosiano af met 406 miljoen dollar. Een transactie die wordt omschreven als 'een vrijwillige bijdrage'. Marcinkus wordt van zijn taken ontheven, Johannes Paulus laat nieuwe statuten schrijven voor de huisbank, waarin ethisch verantwoord gedrag wordt voorgeschreven.

Marcinkus vertrekt in 1990 naar de VS, waar hij diverse malen door reporters wordt benaderd voor interviews. Nooit liet hij iets los over de affaires waarin hij was verwikkeld.