Met een zekere weemoed

Willem van Toorn is 70 en we praten over zijn roman Stoom. Die begint met een man die bij het rangeren door zijn eigen locomotief wordt overreden (dit overkwam Van Toorns grootvader in Tiel) en die eindigt met de mislukte spoorwegstaking van 1903 en de rol van Troelstra daarin. 'Als je dat gelezen hebt', zegt hij, 'verbaas je je niet over de Troelstra van 1918. En ook niet over Wouter Bos.'

'Ik wil', zegt hij er meteen bij, 'niet zo'n naar oud mannetje worden dat bij alles roept dat het misgaat. Maar ik wil ook het vermogen niet verliezen om me kwaad te maken.'

Tussen beide gebeurtenissen in getuigt het boek van een aanstekelijk optimisme, het optimisme van mensen op de drempel van de twintigste eeuw. 'Ik herinner me dat van mijn vader', zegt hij. 'Als hij over dat opkomende socialisme begon, begon er iets te twinkelen aan die man.'

De droom van een betere wereld. Technologische vernieuwing en sociale vooruitgang gingen hand in hand met het beschavingswerk van de Jac. P. Thijsses en Herman Gorters. 'Dat is nog wel het mooiste', zegt hij. 'Dat alles in één beweging bij elkaar kwam.'

'Net als in de jaren zestig', zeg ik.

'Behalve dat de arbeiders toen al zo'n beetje waren afgeschaft.'

'Wat je als het succes van de arbeidersbeweging zou kunnen beschouwen.'

'Maar we laten onze maatschappij nog steeds besturen door de aandeelhouders. Kijk om je heen en zie hoe mensen weer in de kou staan, hoe ze aan hun lot worden overgelaten.'

'Vroeger', zeg ik, 'had ik een affiche op mijn kamer hangen, een reproductie natuurlijk: Proletaren kent uw plicht, uit het donker naar het licht. Ja, daar lach je nou om, maar...'

'Daar lach ik om', zegt hij, 'maar wel met een zekere weemoed. Een Gorter die zich naar Twente begaf om stakende arbeiders toe te spreken en daar een verhandeling hield over de economische oorzaken van de Tachtigjarige Oorlog. De naïviteit. Is het niet hartverscheurend?'

'Maar', herneem ik, 'voor jou, in jouw boek, zijn onderwijzers de ware helden.'

'En daar', zegt hij, 'heb je mijn vader weer. Zíjn schoolmeester. Lyrische verhalen over zo'n rooie meester die de kinderen een duwtje gaf - jongens, er komt een nieuwe tijd.'

Nu treft het dat hij zelf, voordat hij zich als schrijver verzelfstandigde, ook in het onderwijs heeft gezeten.

'Ik heb', zegt hij, 'nog net meegemaakt dat het Bildungsideaal als arrogant aan de kant werd gezet. Ook dat waren de jaren zestig. Cultuur? Wat verbeelden jullie je wel! Daarna hebben we een hele reeks ministers en staatssecretarissen gekregen die kennis verdacht vonden en onderwijs iets verschrikkelijks... ik overdrijf misschien.'

'Heel goed', zeg ik.

'En nu zitten we met de gebakken peren, generaties jongeren die zijn opgegroeid zonder dat we met ze gepráát hebben. Heel het idee dat volwassenen hun iets te zéggen zouden kunnen hebben, is in diskrediet geraakt. Daar verandert die miezerige Balkenende met zijn normen en waarden niets aan.'

Intussen, dat is wel duidelijk, zijn we buiten het bestek van Stoom geraakt. Ruim een eeuw verder. De twinkelingen van weleer zijn gesmoord in bot materialisme. Idealen hebben de weg geëffend naar ongekende misdaden, heilstaten hebben zich ontpopt als moordmachines. We kregen de dekolonisatie en zijn doorgegaan met het plunderen van de Derde Wereld. We kregen de Club van Rome en zijn doorgegaan met het opstoken van de aarde.

Bij dit alles verbleekt de aantasting van het Nederlandse landschap tot een kleiner ongemak. Niettemin, bij Van Toorn speelt het altijd op. Van meet af aan was zijn werk doordrenkt van rivieren en polders (en oprukkend beton met de bijbehorende politieke machinaties).

'Willem', zeg ik, 'hoe zou het komen dat jij zoveel eerder oog had voor het landschap dan de meeste van ons?'

'Ik vermoed', zegt hij, 'dat het te maken heeft gehad met dat opgroeien met twéé landschappen in je kop. Het stedelijke van Amsterdam-West, waar we woonden, en het landelijke van Tiel, waar mijn vader vandaan kwam. Dat eeuwige heen en weer. Vanuit het ene keek je naar het andere. Vanuit het ene verbáásde je je over het andere. En niet alleen over het landschap, ook over het verschil in levens die er werden geleefd.'

(Dit moet ik onthouden. Als míj nog eens naar de rol van het landschap in mijn werk wordt gevraagd, zal ik zeggen wat Willem van Toorn tegen me zei en eraan toevoegen: en bij ons was het net zo. Altijd heen en weer tussen Arnhem, waar we woonden, en Herwijnen, waar mijn vader vandaan kwam. Dezelfde rivier: de Waal. Dezelfde afstand: 80 km. Hetzelfde vervoer: zo mogelijk met die fiets, zo nodig met de trein.)

'De veiling naast het station in Tiel', zegt hij. 'Die torens van kersenkisten... de geur die daar hing.'

'Ja', zeg ik, 'zeg jij eens wat over het verstrijken van de tijd. Ik word bloednerveus van al die montere 70-jarigen. Ik ben pas zestig en ik word al jaren verteerd door melancholie.'

Waarop hij monter zegt: 'Voor een deel ligt dat ongetwijfeld aan het rare metier dat wij gekozen hebben. En verder kan ik je niet helpen. Ik voel mij niet anders dan tien, vijftien jaar geleden. Ik mankeer niks, dat helpt natuurlijk.'

'En onverminderd het gevoel dat je de wereld iets te zeggen hebt?'

'Nou, dat gevoel heb ik nooit zo gehad. Ik heb geen boodschap. Ik werk omdat ik het leuk vind om dingen te maken. Romans, gedichten, het ambacht. In het prettige besef dat ik nooit met pensioen hoef, nooit iets anders hoef te bedenken om mijn dagen te vullen.'

Hij wacht. Hij zegt: 'Waar ik me wel boos over kan maken... de dood... het afscheid dat je wordt opgedrongen... al die leuke dingen die we samen hebben verzonnen... al die gesprekken, al die ervaring, alles wat er in al die leuke hoofdjes is opgeslagen... dat dat allemaal verloren gaat - wat een verspilling toch!'

'Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.