Gelijkstroom graag

De teerling is geworpen op de Europese energiemarkt. De Duitse gigant Eon maakte gisteren bekend een bod te doen van 29,1 miljard euro in contanten op de Spaanse energieleverancier Endesa. Om zo'n enorm bedrag even in perspectief te zetten: het komt overeen met de prijs van 128.534 Nederlandse woonhuizen.

De boodschap is duidelijk. Als de Europese politiek talmt met de liberalisering van de energiemarkt, dan doen de grote bedrijven het gewoon alvast zelf. Eon-voorzitter Wulf Bernotat heeft al gezegd dat er volgens hem drie tot zes grote energieconcerns overblijven in de EU.

Politiek is er in de regel sprake van wankelmoedigheid bij zo'n consolidatiegolf. Liefst zou men, zie bijvoorbeeld de bankensector, eerst door nationale fusies de creatie zien van een grote nationale kampioen, die vervolgens massa genoeg heeft om zich in de transnationale strijd te storten. Tegelijkertijd is er verzet tegen de acties van andere bedrijven die vanuit hun nationale uitvalsbasis hetzelfde doen.

Als het vooral Franse staalbedrijf Arcelor dreigt te worden opgekocht door Mittal Steel, is het huis te klein. Maar de nationale energiekampioen Electricité de France is intussen een van de agressiefste opkopers in de Europese energiemarkt.

Ook in Spanje, waar de bank BBVA vorig jaar nog een vijandig bod deed op een Italiaanse bank, zijn de eerste reacties op het bod van Eon afwijzend. Er lag al een bod van het eveneens Spaanse Gas Natural, dat door de regering is omarmd ondanks een negatief advies van de Spaanse kartelautoriteit. Eon gooit nu, met een bod dat 30 procent hoger is, roet in het eten.

Hoe de strijd afloopt is ongewis, maar het zet de Nederlandse discussie over de splitsing van energiebedrijven wel in perspectief. Hier zijn de energiebedrijven bang te worden opgeslokt als zij los komen te staan van de energienetten.

Met name het Frans-Belgische Electrabel wordt genoemd als potentiële rover. Maar de interesse die het Italiaanse Enel uitgerekend gisteren liet blijken voor datzelfde Electrabel, toont dat het spel sowieso wordt gespeeld in een divisie waar de Nederlandse bedrijven te klein voor lijken. De grootste energieleverancier Essent past wat omzet betreft straks zevenmaal in Eon.

Dat maakt het hoe dan ook een kwestie van tijd voordat ook in Nederland de energiebedrijven stuksgewijs of in samengeklonterde vorm in buitenlandse handen komen. Tenzij de Eon-kwestie zorgt voor een politieke terugslag, waarbij liberalisering van de markt het slachtoffer is. Het tijdelijk staken van gasleveranties door het Russische Gazprom begin dit jaar heeft ongetwijfeld bijgedragen tot de reflex energie alsnog te beschouwen als een zaak van nationale veiligheid.

Bij de overwegingen moeten twee doelen voorop staan: een zo groot mogelijke leveringszekerheid en een zo laag mogelijke prijs voor de consument. Probleem is dat de nationale situaties ver uiteenlopen. Is er bijvoorbeeld in Nederland een strikt karteltoezicht, in Duitsland en Frankrijk wordt veel minder toegezien op marktverstorende praktijken en machtsconcentraties. En beursgenoteerde bedrijven moeten in de slag met concurrenten die gedeeltelijk nog in staatshanden zijn, en vaak onkwetsbaar. Dat maakt het speelveld in Europa, als gevolg van het nog goeddeels ontbreken van een gemeenschappelijk energiebeleid, ongelijk.

Zo nemen grote kampioenen als Eon nu alvast een voorsprong op een markt die nog niet geëffend is. Als zij hard kunnen maken dat hun schaalgrootte de concurrentie niet in de weg staat, zodat de prijzen laag blijven, en dat zij de leveringszekerheid kunnen garanderen, dan mogen zij hun gang gaan. Maar dat is nog een grote 'als'.