Architectuur is (de) oorlog

Als het woord 'traditionalisme' valt, zijn de nazi's nooit ver weg. Zo noemde de criticus Bart Lootsma de onweerstaanbare opkomst van de neotraditionalistische architectuur in Nederland een uiting van het Volksempfinden. En bij Volksempfindenhoort, weet iedereen, gesundes en de beruchtste bevorderaars ervan waren de Duitse nationaal-socialisten.

Ook nu het neotraditionalisme vaste grond onder de voeten heeft gekregen, wekt het nog altijd associaties met rechts op. Vorige week organiseerde de Fontys Academie voor Architectuur en Stedenbouw een symposium over het neotraditionalisme onder de titel 'Populisme versus architectuur'. En wie 'populisme' zegt, komt vanzelf terecht bij 'onderbuikgevoelens' en dan is de stap 'marcherende laarzen' ook gauw gemaakt.

De schrille toon van de reacties op het neotraditionalisme past bij de cultuuroorlog die Bas Heijne in deze krant heeft opgemerkt. 'De onvrede die zich op politiek gebied uitte in de Fortuyn-revolte, zie je ook terug in de Nederlandse cultuur', schreef hij. 'Waar in de politiek de burger plotseling het primaat opeiste, daar doet op het gebied van de cultuur de klantvriendelijkheid zijn intrede.' Heijne zag het bij kranten die moeten schrijven wat lezers willen, musea die jongeren en allochtonen moeten trekken en omroepverenigingen die moeten concurreren met commerciële zenders.

Architectuur ontbrak in het rijtje. Maar juist hier dateert decultuuroorlog al van vóór Fortuyn. Al in de tweede helft van de jaren negentig kwam het neo-traditionalisme op: stadsdelen met historiserende architectuur, zoals de Resident in Den Haag, waar nauwe straten en besloten pleintjes worden omzoomd met bakstenen gebouwen met puntdaken. Tot dan toe was Nederland het land waar het postmodernisme en neotraditionalisme vrijwel helemaal aan voorbij was gegaan. Anders dan in het buitenland bleef hier het modernisme richtinggevend. Dit kwam door de overheersende positie van de woningbouwverenigingen. Voor hun was volkshuisvesting van oudsher meer dan een dak boven het hoofd. Woningbouw, met subsidie van de overheid, moest ook cultureel verheffen. Maar met de verzelfstandiging van de verenigingen in 1994 kwam hier een eind aan. Daarna namen projectontwikkelaars de woningbouw voor hun rekening. Aan verheffing hebben ze geen boodschap, wel aan winst maken. Met neo-traditionalistische huizen, want die zijn het meest gewild.

De heftigste uiting van de architectuuroorlog is het Wilde Wonen: bewoners die op een eigen kavel naar eigen inzicht hun huis kunnen bouwen. Dit kon bij architecten en critici vooral rekenen op hoon en spot. Smalend wezen ze op de 'witte schimmel', de vaak witte huizen die vooral in de noordelijke provincies op vrije kavels werden gebouwd. Maar het Wilde Wonen had de tijd mee. We leven tenslotte in het neoliberale tijdperk waarin zelfs de overheid zelf gelooft dat de markt alles beter kan dan de staat. In 2001 verhief staatssecretaris van Volkshuisvesting Remkes het Wilde Wonen dan ook tot staatsbeleid: eenderde van de bouwgrond in Vinex-wijken moest uit vrije kavels bestaan.

Daar is weinig van terechtgekomen; de meeste Vinex-grond is in handen van projectonwikkelaars die zelf winstgevende woningen willen bouwen. Toch krijgt elke Vinex-wijk nu zijn eigen buurtje met vrije kavels. Sommige architecten twijfelen aan de voorkeur van bewoners voor neotraditionalistische architectuur. Net als de woningbouwverenigingen geloven ze dat bewoners het modernisme kunnen leren waarderen. De Wilde-Wonen-wijkjes laten iets anders zien: kale catalogushuizen met bakstenen gevels en pannen puntdaken. De nazi's winnen de architectuuroorlog alsnog.

Bernard Hulsman

woensdag@nrc.nl