Wetshandhaving hoort bij tolerantie

Tolerantie heeft twee elementen: een moreel en een politiek. Moreel gezien moet je ruimte laten voor anderen. Maar politieke tolerantie vraagt soms om onverzettelijkheid, betoogt Menno Lievers.

In 1998 kapittelde Alain Finkelkraut in zijn Rotterdamse Pierre Bayle-lezing de terreur van tolerantie. Die lezing, uitgesproken in het hart van de tolerante westerse wereld en genoemd naar de grote bepleiter van verdraagzaamheid, was toen nog polemisch bedoeld. Achteraf gezien had Finkelkraut een vooruitziende blik, want, zo zegt men, ironisch genoeg vooral in Rotterdam, 'onze tolerantie is te ver doorgeschoten'. Politieke partijen wedijveren in flinkheid jegens asielzoekers. Een vrouwelijke minister wil een moslim de hand schudden. In het onlangs verschenen manifest 'Vrijheid eerlijk delen' van GroenLinks komt het begrip 'tolerantie' niet voor. En dan nu de heisa rond de cartoons.

Lodewijk Asscher, fractievoorzitter van de PvdA in de gemeenteraad van Amsterdam, wil de onverschilligheid aanpakken. 'In Nederland, en vooral in Amsterdam, zijn we over een aantal zaken buitengewoon onverschillig. We dachten dat dat tolerantie was.' Wat tolerantie dan wel is, vertelt Asscher niet, al maakt hij de belangwekkende opmerking dat zijn pleidooi tegen onverschilligheid tegelijkertijd een pleidooi voor tolerantie is. Wouter Bos zegt in interviews naar aanleiding van zijn boek Dit land kan zoveel beter onder andere: 'Ik pleit voor een actieve tolerantie. Vroeger betekende tolerantie: alles mag en je mag er niets van zeggen. Ik zeg: er mag veel, maar we moeten in het publieke debat hekelen wat ons niet aanstaat.' Deze citaten roepen de vraag op wat tolerantie is. Immers, wanneer slaat hekelen om in gebrek aan tolerantie?

Ons land afficheerde zich tot voor kort als een tolerante samenleving. In de dagelijkse omgang met andersdenkenden en met religieuze minderheden werden geen beperkingen opgelegd, in het bijzonder niet door de overheid. Het bestaan van tolerantie in het openbare leven zegt echter weinig over de houding van de leden van de samenleving. Publiekelijke tolerantie kan net zo goed voortkomen uit onverschilligheid of scepticisme, zoals de opmerking van Asscher duidelijk maakt. De 'actieve tolerantie' van Wouter Bos duidt daarentegen op een morele houding die veel verder gaat. Er moet dus een onderscheid gemaakt worden tussen tolerantie als politiek begrip en tolerantie als moreel begrip.

Toen Nederland nog trots was op zijn tolerantie, ging het om het politieke begrip. We waren er trots op dat in ons land minderheden met afwijkende opvattingen werden geaccepteerd door een meerderheid. We waren er trots op dat de wet niet gebruikt werd om de minderheid de gewoonten en opvattingen van de meerderheid op te leggen. We waren er trots op dat we een veilige haven waren voor onderdrukten. Nu horen we van onze politici dat we trots waren op onze eigen onverschilligheid.

Natuurlijk is er een verschil tussen een onverschillige en een tolerante houding van individuele mensen. Een tolerante houding vereist het zoeken naar een evenwicht tussen te veel tolerantie enerzijds en het inzicht dat tolerantie in bepaalde gevallen niet aan de orde is, anderzijds.

Het toestaan van moord en doodslag is te veel tolerantie, en dat is dan ook bij wet verboden. Aan de andere kant is er iets mis met iemand die beweert homoseksuelen te tolereren. Tolerantie is hier namelijk al een verkeerde houding: de negatieve houding ten aanzien van homoseksuelen is fout en moet verdwijnen. Bij een zuivere, tolerante houding gaat het dus om opvattingen die iemand heeft, waarvan hij vindt dat iemand die er anders over denkt het volkomen bij het verkeerde eind heeft, maar waarvan hij ook vindt dat de ander het recht heeft er vrijuit over te spreken. Vrijheid van meningsuiting is pas in het geding en moet juist dan verdedigd worden, wanneer iemand iets zegt waarmee anderen het faliekant oneens zijn. Het recht dingen te zeggen waarmee iedereen instemt heeft weinig betekenis.

Het ligt voor de hand om politieke tolerantie te herleiden tot morele tolerantie en dit recht om vrijuit te spreken te funderen op een liberale moraal, volgens welke ieder mens zelf mag bepalen wat hij of zij met zijn leven doet. Maar deze rechtvaardiging van tolerantie schiet zichzelf in de voet. Immers, wanneer tolerantie berust op het recht van iedereen om te doen met zijn leven wat hij wil, dan is er ook geen reden om tolerant te zijn, want iedereen heeft het recht te doen wat hemzelf goeddunkt. Uit een liberale mensopvatting, een geloof in morele autonomie, volgt dus geen tolerantie, maar eerder onverschilligheid - een conclusie die de samenstellers van het manifest van GroenLinks zich zouden moeten aantrekken.

Tolerantie in politieke zin bestaat in samenlevingen waarin de meerderheid de minderheden geen beperkingen oplegt in de manier waarop zij hun leven inrichten. De staat mag daar zijn macht niet voor gebruiken. Deze eis komt niet uit de lucht vallen, maar is gebaseerd op het verschil tussen een rechtvaardige en een onrechtvaardige staat. Een rechtvaardige overheid legitimeert haar bestaan door voor iedere burger een veilig bestaan te garanderen in een ordelijke gemeenschap, waarin mensen veilig met elkaar samenleven. Dat dit niet vanzelfsprekend is, blijkt iedere dag uit de beelden uit Afghanistan en Irak. Het gaat daar om het instellen van een legitieme staat, waarin een tolerante samenleving kan ontstaan, niet om het afdwingen van een tolerante levenshouding. Een onrechtvaardige overheid gaat een deel van het probleem vormen; zij vormt een bedreiging voor een deel van haar onderdanen en schept orde door het onderdrukken van tolerantie.

Het is dus noodzakelijk om deze 'basislegitimatie' telkens opnieuw serieus te nemen. Uit de maatschappelijke onrust sinds de moord op Pim Fortuyn blijkt dat de republiek van Weimar om de hoek ligt. Het mag een wonder heten dat er, voor zover wij weten, nog geen buitenparlementaire politieke beweging is opgestaan. Dat wonder kan alleen verklaard worden door het feit dat er nog een tolerante praktijk bestaat in onze samenleving.

Deze praktijk van politieke tolerantie hoeft niet gedragen te worden door een 'actieve tolerantie' van de burgers. Veel belangrijker is het om scherp in de gaten te houden of de overheid aan de fundamentele legitimatie-eis voldoet en haar onderdanen een veilige samenleving garandeert. Een aantal recente gebeurtenissen illustreert dit.

De behandeling van de Amerikaanse gevangenen op Guantánamo Bay en de geheime vluchten over Europa wijzen erop dat nu ook in de westerse wereld de overheid een deel van het probleem gaat vormen; een overheid moet haar handelingen ook tegenover die gevangenen kunnen rechtvaardigen en dat blijft in deze gevallen achterwege. Hoe groot zou de morele verontwaardiging niet zijn geweest, als men in het Westen voor de val van het IJzeren Gordijn zou hebben geweten dat de Russen er dergelijke praktijken op na hielden?

Het bijna dwingen van een moslim tot het schudden van haar hand door minister Verdonk overschrijdt de grenzen van wat de overheid mag doen. Als privé-persoon had zij met dit gebaar misschien laten zien wat de door Wouter Bos gepropageerde actieve tolerantie inhoudt, maar als vertegenwoordiger van de overheid is zij met dat gebaar het door het liberalisme gekoesterde privé-domein van de burger binnengedrongen.

Hirsi Ali's aanvallen op de islam zijn aanvallen op de godsdienstvrijheid en als zodanig ook zinloos. Verwacht ze nu echt dat een moslim zich onder dwang - laat staan onder dwang van argumenten - bekeert tot het christendom of zijn geloof afzweert? Je kunt iemand niet zijn geloofsovertuiging laten ruilen voor die van een ander. Denken en geloven is vrij.

Daarentegen verdient zij alle steun, wanneer zij opkomt voor de rechten van vrouwen uit de moslimgemeenschap. De staat schiet in dit geval aantoonbaar tekort in zijn plicht te beantwoorden aan de fundamentele legitimatie-eis: een aanzienlijk deel van zijn onderdanen wordt niet adequaat beschermd, kan zich niet ontplooien, en voelt zich niet veilig. In Nederland bestaan daarvoor wetten, die niet worden nageleefd. Deze moslimvrouwen mogen, op grond van de fundamentele legitimatie-eis, van hun overheid verwachten dat die hen beschermt, maar die verwachting wordt beschaamd.

Er is een veel te pragmatische omgang met de wet in Nederland. De wet is een codificering van wat nooit en te nimmer getolereerd mag worden. Pas als de wet voor iedereen in gelijke mate gehandhaafd wordt, en iedereen daarop vertrouwt, kan het veilige gevoel ontstaan dat het je mogelijk maakt om onverschillig te staan tegenover andermans opvattingen of het juist daarmee fel oneens te zijn. Als een hoofddoekje in de rechtszaal niet geoorloofd is, mag het hoofddoekje van het slachtoffer of de patiënt er natuurlijk er ook niet toe doen.

Hoe belangrijk het is voor een veilige en tolerante samenleving om telkens opnieuw door handhaving van de wet te voldoen aan de fundamentele legitimatie-eis blijkt aan de huidige opschudding rond de Deense cartoons. In een tolerante samenleving bestaat het recht op vrijheid van meningsuiting. Het bestaan van dat recht betekent niet dat het ook uitgeoefend moet worden, net zo min als het recht op abortus inhoudt dat iedere vrouw abortus zou moeten laten plegen. Wordt het recht uitgeoefend, dan hebben anderen natuurlijk het recht het tegenovergestelde standpunt te verdedigen. Het toestaan van protesten door moslims tegen de cartoons pleit dus voor het tolerantieniveau van een samenleving.

Men kan ook z'n schouders ophalen. Publieke tolerantie kan immers ook gedragen worden door onverschilligheid. En getuigt onverschilligheid jegens die cartoons in dit geval niet van wijsheid? Uiteraard is het in brand steken van ambassades een intolerante, maar ook onwettige vorm van protest. Het is echter opvallend dat dit vooral gebeurt in landen met een zwakke overheid en in landen waar de overheid zelf een deel van het probleem vormt. Landen dus, waarin de overheid niet aan de fundamentele legitimatie-eis voldoet en de veiligheid van al haar onderdanen niet garandeert door handhaving van de wet.

Lodewijk Asscher had dus gelijk, wanneer hij bedoelde dat onverschilligheid jegens de wet geen tolerantie is. Publieke, politieke tolerantie is niet gebaseerd op een 'actieve tolerantie' van individuele landgenoten, maar op een strenge afbakening van wat wel en niet getolereerd kan worden. Ons wetboek is een verfijnd, evolutionair product van eeuwenlange reflectie en toetsing aan de praktijk. Normen en waarden zijn geen zaken waarover de overheid toezicht moet houden. Handhaving van de wet is dat wel en is een voorwaarde voor de mogelijkheid van publieke tolerantie.

Menno Lievers is filosoof.