'Waddenacademie moet niet te rank zijn'

Onderzoek naar het waddengebied is hard nodig. Maar de opzet van de provincie Friesland deugt niet, betogen bioloog Theunis Piersma en econoom Henk Folmer.

Valt de opmars van de Japanse oester in de Waddenzee te stuiten? Waarom gaat het slecht met de platvissen? Moeten we stoppen met de mosselvisserij? Bioloog en waddenonderzoeker Theunis Piersma somt, gezeten aan de keukentafel van econoom Henk Folmer in diens woning in het Friese Wyckel, zomaar enkele onderwerpen op die naar zijn smaak wetenschappelijk onderzocht moeten worden. De onderzoeksbehoefte naar het Waddengebied is groot, stellen beiden vast.

Dat vond ook de Adviesgroep Waddenzeebeleid (commissie Meijer), die in zijn eindrapport van 2004 stelt dat er meer kennis nodig is over de natuur en de sociaal-economische ontwikkeling van de Waddenzee. Een 'Waddenacademie', die onderzoek aanstuurt en coördineert, zou daarin kunnen voorzien.

Maar het uitvoeringsplan van de provincie Friesland, dat december vorig jaar aan VROM-minister Dekker werd verstrekt, is hiermee in strijd, menen Piersma en Folmer. 'Als voorwaarde stelde Dekker dat er gebruik moet worden gemaakt van bestaande structuren om de organisatiekosten zo laag mogelijk te houden. Dat adviseerde ook de Raad voor de Wadden', licht Folmer toe, die zelf lid is van deze raad.

De 'ranke' academie die de provincie voorstelt in Leeuwarden op te richten, voldoet hier echter niet aan. 'Men wil daar vijf hoogleraren elk een dag in de week, drie jaar lang onderzoek laten aansturen, daarbij gesteund door een klein team van zeven medewerkers', verduidelijkt Folmer. In Nijpels' advies gaat naar zijn mening te veel geld op aan het optuigen van een organisatie. 'Aan het gebouw, de huisvesting en een auto met chauffeur zijn ze al anderhalf miljoen euro kwijt. Er blijft geen cent over voor het echte onderzoek.'

Piersma, hoogleraar dierecologie aan de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen, vindt Nijpels' uitvoeringsplan 'een bureaucratische prop', waarmee de mogelijkheid tot goed onderzoek wordt ondermijnd.

Een groot manco is dat onderzoekers van het maritiem onderzoeksinstituut NIOZ en de Rijksuniversiteit Groningen, die beide veel waddenonderzoek uitvoeren, niet in het advies zijn gekend, vinden Folmer en Piersma. En dat terwijl een Waddenacademie zonder veel organisatorische kosten eenvoudig is op te tuigen, menen beide wetenschappers.

Piersma: 'De Waddenacademie is er al als kennisnetwerk van mensen. Die weten elkaar al jarenlang te vinden en hebben daarvoor geen ambtenaren nodig.' Ecologen en economen die het Waddengebied onderzoeken, hebben vooral behoefte aan een meldpunt, aldus Piersma, waar zij langjarige onderzoeksvoorstellen kunnen indienen en laten toetsen. 'Een soort brievenbus die onderzoeksplannen beoordeelt.'

Die instelling is er al, beklemtonen beiden, namelijk de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Die is gepolst en bereid die taak op zich te nemen. NWO voert diverse maatschappelijke onderzoeksprogramma's uit en moet zorgen voor waarborging van de kwaliteit. Folmer vertelt dat NWO zelfs heeft aangegeven geld uit haar vrije fondsen beschikbaar te stellen voor waddenonderzoek.

Ondersteuning voor waddenonderzoekers is belangrijk, onderstreept Piersma, die zelf al achttien jaar onderzoek doet naar de kanoetstrandloper en het voedsel dat die vogel op wadplaten vindt. 'De onderzoeksvragen die we ons nu stellen zijn veel ingewikkelder dan zo'n twintig jaar geleden. Als je nu wilt onderzoeken of gasboring effect heeft op wadplaten, heeft dat alleen zin als je ook zes à zeven andere wadplaten bekijkt waar geen gas geboord wordt.'

Een ander voorbeeld dat Piersma geeft is een herstelprogramma van mosselbanken. 'Je moet dan niet in één, maar in meerdere zeegaten van die banken aanleggen en ze tien jaar lang in hun ontwikkeling volgen. En ze daarna vergelijken met zeegaten waar ze niet zijn gebouwd. Pas dan ontwikkel je kennis die nodig is voor een duurzaam beheer van de Waddenzee.'

Piersma laat een foto zien uit de jaren zestig. 'Toen werden er op de Waddenzee nog 200 haaien gevangen. Ongelooflijk hè? Dertig jaar geleden zwommen er nog roggen in de Waddenzee, nu vrijwel niet meer. Het nonnetje, een van de centrale voedselbronnen voor vogels, is in de westelijke Waddenzee zo goed als verdwenen.'

Of de oorzaak de klimaatverandering, eutrofiëring of overbevissing is, kun je pas te weten komen door langdurige onderzoeken met elkaar te vergelijken, beklemtoont hij. 'Daar moet wel geld voor zijn. Maar voor onderzoek is geen cent als er een Waddenacademie komt zoals de provincie Friesland nu voorstelt.'