'Moet je dít proeven'

De 'Indische jongen' Loe is een charmeur met een bijzonder verleden, blijkt op Bandoeng.

Op Hotel Homann na is Het Snoephuis het laatste koloniale bolwerk van Bandung. Je kunt er volop kiezen uit allerlei lekkernijen, die bij ons al lang niet meer te krijgen zijn. Ulevellen bijvoorbeeld. Terwijl we rondscharrelen, horen we een stokoude Sundanese en een bejaarde Indischman een soort Nederlands spreken dat alleen nog op Polygoonjournaals te beluisteren valt. We raken met hen in gesprek. Het wordt een genoeglijk Hollands uurtje. Nadat wij het rijtje Oost-Indische eilanden dat we op school uit ons hoofd moesten leren, hebben opgedreund, zingen zij samen met ijle stem 'Waar de blanke top der duinen'.

Loe Knodrev is een 'Indische jongen' die sinds de soevereiniteitsoverdracht in Nederland woont ('Indië verloren, rampspoed geboren', zegt hij.) Hij repatrieerde om zijn kinderen te kunnen laten studeren. Ten overvloede licht hij toe dat zijn voorgeslacht enkele tropische verrassingen telt. Wat heet: de familie Knodrev was te donker om tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd te worden. 'Terwijl we er recht op hadden', zegt hij bitter. Het doet hem pijn dat zijn kleinkinderen Indonesië na één bezoek voor gezien houden, omdat hun steeds weer werd gevraagd waarom ze de taal niet spraken.

Loe wil maar één ding: zijn verblijf zo lang mogelijk rekken. Maar de douane kent hem en wil steeds meer smeergeld. Dankzij Chinese artsen, die hem aan gepeperde rekeningen voor de verzekering helpen, blijft de schade beperkt. Het komt goed uit dat ze niet deugen, vindt Loe. Hij heeft ook nog een handeltje in souvenirs, die hij in Nederland voor een veelvoud verkoopt. We zien hoe hij voor een schijntje een partij prachtige vliegers van een verlegen straatverkopertje overneemt.

Loe biedt aan ons rond te leiden in Bandung, de stad waar hij geboren en getogen is. We pingelen over de prijs. 'Jij kan tawarren man!' zegt Loe verbaasd. We lopen met hem mee de stad in. 'Rare naam, Knodrev', fluister ik Gerarda toe: 'zou het soms Pools zijn?'

We proeven lekkere inlandse hapjes, zoals pisang molen (rondom in deeg gebakken banaan) en ook diverse Chinese versnaperingen. Loe is amechtig, halfblind en voorzien van een bypass, die hij aanduidt als 'mijn broek', maar nooit eerder hebben we zo'n charmeur ontmoet. Hij papt aan met Gerarda, die hij 'Ger' noemt. 'Moet je dít proeven, Ger', dringt hij aan, terwijl hij een lillend gelatineachtig vreterijtje uit een plastic zakje vist. 'Je bent een ouwe snoeper', zegt ze. Hij smult.

Het spoor van zijn jongensjaren voert naar een vervallen Hollandse villawijk. Aan de rand staan palmbomen. Loe is opgetogen: 'Wij waren stout. Wij gooien klappers uit de boom. Laat onze pa het niet horen, oeioei dan zwaait er wat!'

Bij een verlaten spoorlijn gedraagt hij zich plechtig, alsof het een herdenking betreft. Hij vertelt dat zijn vader 'een belangrijke functie' had bij de aanleg.

We staan voor een zebrapad. Er klinkt een wijsje. Loe zingt, met geheven vinger de maat slaand, mee. 'Hallo! Bandoeng!' 'Ja moeder, hier ben ik!' 'Dag lieve jongen zegt zij met een snik'. 'Hallo, hallo! Hoe gaat het oude vrouw?' Dan zegt zij alleen: 'Ik verlang zo erg naar jou!' Hij kijkt ons wazig aan door zijn jampotglazen en zegt: 'Willy Derby. Het is 1929, de telefoonverbinding met Nederland is tot stand gekomen.' Met dunne stem zingt hij door: 'Jongenlief, vraagt ze: hoe gaat het met je kleine bruine vrouw?'

's Avonds, aan het dineetje in Hotel Homann, dansen er lichtjes in zijn ogen. 'Jullie hebben me nog niet gevraagd waar mijn naam vandaan komt. Dat zal ik je vertellen. Vroeger maakten veel kolonialen een kind bij de baboe. Daar schaamde zo'n man zich voor, maar het was wel zijn kind. En dan kreeg het zijn naam - alleen achterstevoren gespeld. Knodrev is een oer-Hollandse naam. Ik ben een rasechte Nederlander. Had je niet gedacht, hè?'