Europeaan is vaak meertalig

Een meerderheid van de Europeanen is in staat een gesprek in een andere taal dan de moedertaal te voeren. Vooral de inwoners van landen met een klein inwonersaantal en waar meerdere talen worden gesproken, leren vaak sneller een buitenlandse taal, zoals Nederlanders, Luxemburgers en Slovenen.

Dit blijkt uit een rapport van de Europese Commissie naar Europeanen en hun talen (Europeans and their Languages).

Het onderzoek laat onder meer zien welke talen er in Europa worden gesproken. Zo spreken de meeste Europeanen de moedertaal van het land waar ze wonen. In Europa is Duits de meest gesproken moedertaal (achttien procent). Gevolgd door Engels en Italiaans met dertien procent. Twaalf procent van de EU-bevolking spreekt Frans als moedertaal.

In Nederland spreekt 96 procent de Nederlandse taal. In België geldt dat 56 procent zich uit in het Nederlands, 38 procent spreekt Frans en 0,4 procent Duits.

In de Europese Unie spreekt 56 procent van de inwoners een andere taal naast de moedertaal. In 2001 was dat aantal nog 47 procent. Engels, Frans, Duits, Spaans en Russisch zijn de meeste gesproken buitenlandse talen naast de moedertaal.

Toch spreekt 44 procent van de Europeanen alleen hun moedertaal. In Nederland ligt dat percentage op negen procent. Zo'n 91 procent van de Nederlanders spreekt naast Nederlands nog één andere taal. 75 procent spreekt twee talen en 34 procent beheerst drie talen naast de moedertaal.

Vooral de inwoners van Zuid-Europese landen, Groot-Brittannië en Ierland beheersen vaak alleen hun moedertaal. In Ierland geldt dat voor 66 procent van de bevolking en in Groot-Brittannië ligt dat aantal op 62 procent.

Mensen die meerdere talen spreken zijn over het algemeen jong en goed opgeleid. Daarnaast zijn ze vaker in een ander Europees land geboren of komen de ouders uit een ander land dan het thuisland.

Ook spreken mensen vaker meerdere talen als ze een positie bekleden waarvoor dat vereist is.