'De geschiedenis wordt niet meer vastgelegd'

Fotograaf Erich Lessing (82) fotografeerde vijftig jaar geleden de Hongaarse opstand. Vrijdag was hij in Nederland, vooruitlopend op een tentoonstelling van zijn werk later dit jaar.

Boedapest, oktober 1956. Omstanders grijpen naar naar het eerste nummer van de nieuwe pro-revolutionaire communistische partijkrant, 'Szabad Nep' (Het Vrije Volk) (Foto Erich Lessing, Magnum/HH 1956 HUNGARY. Insurrection. October-November 1956. Budapest. October 1956. Bystanders try to catch the first issue of the new, pro-revolution communist party paper. When Imre Nagy became prime minister in the first days of the Hungarian revolution, the paper was no longer called "Nepszabadsag" (Peoples Freedom), but "Szabad Nep" (The Free People). Image send to Peter van den Doel (Transaction : 632760893982343750) © Erich Lessing / Magnum Photos © Erich Lessing / Magnum Photos

'Fotografie? Een kwestie van goede ellebogentechniek, wat kwaliteitsbesef en een mondvol vreemde talen.' Meer was het niet, lacht Erich Lessing, 82 jaar - een leeftijd waarop een fotograaf losjes kan terugblikken op zijn carrière. Lid worden van fotografen-collectief Magnum? Fluitje van een cent. Jarenlang kris-kras door het Oostblok reizen? Een enveloppe met geld van de redactie en goede reis maar weer. Zelfs fotograferen tijdens de Hongaarse opstand laat zich bondig samenvatten: rennen van hot naar haar en tussen de middag goulash eten in een duur restaurant. Raar? Ja. 'Maar oorlog is nu eenmaal een kwestie van uitersten', aldus Lessing.

De fotograaf woont in Wenen en is de oudste nog werkzame Magnum-fotograaf, lid sinds 1950. Afgelopen vrijdag bracht hij een bliksembezoek aan de Noorderlicht galerie in Groningen, als voorbereiding op de tentoonstelling die er in mei zal plaatsvinden van de foto's die hij dit jaar precies een halve eeuw geleden maakte in de straten van Boedapest tijdens die historische opstand.

Voor de expositie, start van een internationale tournee, nam Lessing opnieuw zijn negatieven door om ook tot zijn eigen verrassing te ontdekken dat er in de loop der jaren veel ongezien is gebleven. 'Als je terugkijkt zie je steeds weer nieuwe dingen.'

Rauwe beelden maakte hij; van de eerste barricades en schermutselingen op 23 oktober, de straatgevechten tegen de Russische tanks twee dagen later. Van de verkoolde lijken in de straten en de lege laarzen die resteren van Stalins standbeeld, van de lange rijen voor de volle muurkranten en de lege winkels, van het puin na de tijdelijke terugtrekking van het Russische leger en de chaos na de nieuwe inval op 4 november.

Het zijn, hoe historisch ook, actueel ogende foto's, verrassend ook door de veelzijdigheid. Lessing verbleef al ruim voor de opstand in het land, en legde er ook de soms triviale aanloopfase vast: de talloze bijeenkomsten van schrijvers en politici, de vergaderende arbeidersraden van een staalfabriek.

Die veelzijdigheid was onverbrekelijk verbonden aan het vak, zegt Lessing. 'Je was getuige van geschiedenis in de maak en wilde een zo volledig mogelijk verhaal vertellen. Niet alleen het nieuws, maar ook de ontwikkeling en de achtergrond ervan. Voor zulke verhalen was toen ook ruimte in de geïllustreerde tijdschriften, die nog het venster op de wereld vormden.'

Maar, pendelend tussen Warschau, Praag en Belgrado, kon Lessing in de vroege jaren vijftig natuurlijk niet overal bij zijn. 'Zelfs in Boedapest, toch geen grote stad, miste ik zaken.'

Lessings foto's werden internationaal gepubliceerd en vestigden definitief zijn naam als reportagefotograaf. Maar voor hemzelf betekenden ze vooral het begin van het afscheid van het vak. 'Ik zag ook hoe er door Moskou-getrouwe journalisten werd gefotografeerd, hoe een simpel bijschrift een willekeurige arbeider in een contra-revolutionair kon veranderen.'

Dat fotografie een machtig medium was wist Lessing al sinds zijn joodse jeugd in het door de nazi's ingelijfde Oostenrijk; aan de gevolgen daarvan wist hij te ontkomen door de vluchten naar het toenmalige protectoraat Palestina. Dat fotografie ook ónmachtig kon zijn, ervoer hij in Boedapest. 'Mijn foto's hadden geen enkele invloed op de loop van de gebeurtenissen.' Na thuiskomst liet hij Magnum gedesillusioneerd weten geen politieke brandhaarden meer te willen fotograferen. Zijn beslissing werd zonder al te veel morren geaccepteerd, zegt hij. Hoewel hij nadien nog een aantal jaren 'nieuwsdingen' zou blijven doen, bracht hij meer en meer tijd door in historische steden en musea, waar hij kunstwerken reproduceerde voor zijn inmiddels 35.000 foto's omvattende kunstarchief. Een veertigtal boeken stelde hij er uit samen; over de Italiaanse renaissance en de geschiedenis van Oostenrijk, over het landschap van de bijbel, over de Donau en de Duitse vorstenhuizen. Toch zijn de retrospectieven die met regelmaat uit zijn werk worden samengesteld vooral gewijd aan zijn vroege reportagewerk en zelden aan de foto's die hij tot op de dag van vandaag maakt. Een reminder aan de tijd dat een reportage meer was dan een illustratie bij een geprefabriceerd verhaal, zegt Lessing. Want de reportage als fotoverhaal bestaat niet meer. En eigenlijk wil hij nog wel een stap verder gaan. 'Fotografie mag springlevend heten, als document is het morsdood.'

Hij realiseerde het zich weer in de aanloop naar zijn nieuwe tentoonstelling, bladerend door zijn negatieven. 'Ouderwetse negatieven! Zesendertig pasten er op een fotorolletje en al drukte ik er maar eentje af, de rest is bewaard. Vandaag de dag worden van de 36 digitale foto's er 35 direct verwijderd.De geschiedenis wordt niet meer vastgelegd.'

Erich Lessing: De Hongaarse revolutie. Te zien: 13/5 t/m 25/6, Noorderlicht fotogalerie, Akerkhof 12, Groningen. Info www. noorderlicht.com