Overheid moet zwaard niet tevergeefs dragen

In het hoofdredactioneel commentaar 'Lekker meebrullen' (NRC Handelsblad, 16 februari) staat dat VVD en CDA in het Kamerdebat over straatterreur hebben bijgedragen aan het verscherpen van de spanningen in de grote steden. Opgejut door de Groep Wilders zouden VVD en CDA doldrieste moties hebben ingediend, die vervolgens door het kabinet naar de prullenbak zouden zijn verwezen.

Echter, wij laten ons niet opjutten. Wij doen wat nodig is. Tijdens het debat heb ik een oud VVD-voorstel herhaald om burgemeester en politie een extra bevoegdheid te geven om tegen extreme overlast op te treden. De daartoe strekkende motie is mede ondertekend door PvdA en LPF. Aan de motie ligt een analyse ten grondslag van wat extreme overlast is, hoe het bestreden kan worden, en wat daarbij de rechtsstatelijke grenzen zijn. Bij extreme overlast hebben we het niet over Pietje Bell-gedrag. Buurtbewoners worden bedreigd en te grazen genomen. Het wangedrag is het ergst als er afkeer of haat uit spreekt tegen de autochtone medemens - dan is het pure discriminatie.

Probleem is dat de strafbare feiten waarmee dit gedrag gepaard gaat - zoals vernieling, schelden, bedreigen, spuwen, lichte mishandeling, ruiten ingooien - hooguit korte vrijheidsstraffen opleveren. Het gaat hier om een patroon van ordeverstorend gedrag waar het strafrecht niet goed mee overweg kan. Als ultimum remedium komt ons strafrecht pas in actie als de daders al ver zijn afgegleden.

Daarom is het beter extreme overlast aan te pakken als probleem van openbare orde. De burgemeester moet de bevoegdheid krijgen om notoire raddraaiers, zonder tussenkomst van de rechter of de officier van justitie, gedragsaanwijzingen te geven. Voorbeelden van zulke gedragsaanwijzingen zijn het opleggen van een meldplicht, contactverbod, avondklok of afkickverplichting.

Zo'n gedragsaanwijzing is een maatregel, geen straf. Het element van vergelding ontbreekt. Ze is gericht op gedragsverandering van de betrokkene en bescherming van de samenleving. De identiteit van de overlastplegers is doorgaans bij de politie bekend. Grondslag voor het opleggen van een gedragsbevel zal doorgaans een rapport van de politie zijn.

Wie een gedragsbevel heeft gekregen en het er niet mee eens is, kan in beroep gaan bij de bestuursrechter. Zolang de maatregel echter van kracht is, levert overtreding een strafbaar feit op dat via het strafrecht wordt gesanctioneerd. Voorlopige hechtenis moet in dat geval mogelijk zijn.

Met de nieuwe bestuurlijke bevoegdheid kan straatterreur de kop in worden gedrukt. De openbare orde is daarvoor een keurige rechtsgrond, die meer dan de moeizame justitiële weg past bij het gedrag waartegen moet worden opgetreden. In een vroeg stadium zal maatwerk kunnen worden geleverd. De succesvolle praktijk van de Engelse Anti-social Behaviour Orders bewijst dat deze aanpak werkt.

Wie is daar nu tegen? Niet het kabinet. In een brief aan de Kamer schrijft minister Remkes dat het instrument van nieuwe bestuurlijke bevoegdheid past in zijn streven de rol van het lokale bestuur op het terrein van de veiligheid te versterken.

De nieuwe aanpak is nodig opdat bestuur en politie het vertrouwen van de burgers kunnen herwinnen. In wijken als de Amsterdamse Diamantbuurt draagt de overheid het zwaard nu vaak tevergeefs. Dat moet en kan anders.

www.nrc.nl/opinie:Hoofdartikel 'Lekker meebrullen'

Mr. drs. Anton van Schijndel is lid van de Tweede-Kamer en maakt deel uit van de fractie van de VVD.