Oude tijden herleven op de ijsvloer

In het ijshockey is de Russische lente aangebroken. In 1992 won het toenmalige GOS voor het laatst de gouden medaille bij de Spelen. In Turijn doen de spelpatronen weer denken aan de machtige Sovjet-ijshockeymachine van weleer.

Kapotte tanden, bebloede lippen en gescheurde wenkbrauwen. Alsof er niets is veranderd in het internationale ijshockey lopen de spelers van de 'Rode Machine' dit weekeinde door de mixed zone van de olympische hal in Turijn. De Russen zijn het slachtoffer van venijnige oppositie van Kazachstan (zaterdag) en Letland (gisteren). Twee voormalige Sovjet-staten en dat verklaart deels het slachtveld in de Torino Esposizione. Overigens sorteert het fysieke geweld geen effect. De Kazachen verliezen met 1-0, de Letten gaan een dag later met 9-2 over de knie.

Navraag leert dat het 'Calimero'-gevoel van de kleine buurlanden niet de enige reden is voor de felle tegenstand. De technische superioriteit van de Russen kan alleen met ongeoorloofde middelen worden bestreden, redeneert de concurrentie. Keihard tegenspel lijkt net als vroeger de enige manier hen een puntje af te snoepen. 'Ik heb geleerd met gelijke munt terug te betalen', vertelt Darius Kasparaitis met een zwaar Amerikaanse accent, terwijl hij het zweet van zijn gehavende voorhoofd veegt. Zijn achternaam verraadt Litouwse voorouders, en hij blijkt inderdaad over een dubbel paspoort te beschikken.

De verdediger met rugnummer elf, in clubverband actief voor de New York Rangers, staat bekend om zijn spijkerharde overtredingen, met als specialiteit de zogeheten 'heupcheck' waarmee hij zijn tegenstanders regelmatig dijbeenblessures bezorgt. 'Als je te lang wacht met tegenacties, zitten je tegenstanders al in de kleedkamer', grijnst De Man van Graniet, zoals hij in de Noord-Amerikaanse pers wordt aangeduid. Kasparaitis is relatief klein van stuk; hij compenseert het lengteverschil met de beulen van de tegenpartij door zich als een pitbull te gedragen op het ijs. Vastbijten en niet meer loslaten.

Zijn ploeggenoten laten in Turijn prachtige passes en fraaie combinaties zien. Ilja Kovaltsjoek, Alexander Ovetsjkin en Evgeni Malkin heten de nieuwe sterspelers, die oude ijshockeytijden doen herleven. Ze zijn of worden veelverdieners in de National Hockey League (NHL), die de laatste twintig jaar een gaarkeuken is van Russisch talent. Niet alle Oost-Europeanen zijn bestand gebleken tegen de westerse luxe, hoewel de lonen in de Russische clubcompetitie door de nieuwe rijken zoals Chelsea-voorzitter Roman Abramovitsj de laatste jaren fors zijn gestegen, en de salarissen in de NHL na de staking in het seizoen 2004-2005 met een kwart zijn teruggedraaid. In plaats van tien miljoen dollar verdient de Rus Alexei Yashin bij de New York Islanders nu 7,5 miljoen dollar per jaar - nog altijd een veelvoud van zijn vroeger verdiensten.

In Canada en de Verenigde Staten bewonderen de ijshockeykenners de stick- en schaatstechniek van de Russen. De tegenstanders grijpen naar de vertrouwde middelen om hen het spel onmogelijk te maken. De strafminuten nemen ze voor lief. Het neutrale publiek kiest partij voor de buitenlanders. De olympische verrichten van aanvaller Ovetsjkin worden deze maand in de sportsbars van Washington door duizenden fans op de televisie gadegeslagen. Hij is de sterspeler van de plaatselijke Capitals, en steekt het 'supertalent' Sidney Crosby van de Pittsburgh Penguins volgens ingewijden naar de kroon. De jonge Canadees, bijgenaamd The New One moet de opvolger worden van zijn oude landgenoot Wayne Gretsky, bijgenaamd The Great One.

De gezonde én ongezonde rivaliteit tussen de Russen en de Canadezen dateert van 1956, toen het team van de Sovjet-Unie het doelwit was van hookings en bodychecks. De olympische debutanten behaalden in Cortina d'Ampezzo de eerste van in totaal acht gouden medailles. In 1992 behaalde het toenmalige GOS - na het uiteenvallen van het communistische statenrijk - voor de laatste keer de olympische titel. De eindwinnaars droegen toen geen landennaam op hun shirt. Een volkslied kregen ze in het politieke niemandsland niet te horen.

Daarna was het gedaan met de Russische overmacht, die in de jaren zeventig en tachtig haar hoogtepunt beleefde. De 'puckvirtuozen' van de strenge bondscoach Viktor Tichonov, bijgenaamd De Sfinx, waren gedurende twee decennia heer en meester bij het ijshockey. Als staatsamateurs hadden ze dezelfde privileges als de Canadese en Amerikaanse profs, die volgens de strenge olympische richtlijnen tot 1988 niet mochten meedoen aan de Spelen. De Sovjets lieten de mooiste, eindeloos getrainde spelpatronen zien. Juichen was er niet bij. Een tikje met de stick op de billen was een teken van tevredenheid.

Sterspelers in deze lange regeerperiode waren doelman Vladislav Tretjak (recordhouder met drie gouden medailles), verdediger Vjatjeslav Fetisov en de aanvallers Vladimir Kroetov, Igor Larionov en Sergei Makarov. De laatste drie vormden in de jaren tachtig de wereldberoemde KLM-aanvalslijn. Ze speelden bijna allemaal voor CSKA Moskou, de club van het Rode Leger. Tegen het einde van hun carrière mochten de meeste spelers nog een zakcentje bijverdienen in de NHL, in tegenstelling tot Tretjak die een paar jaar daarvoor in 1984 niet mocht verhuizen naar Montreal en uit rancune zijn imposante interlandloopbaan per direct beëindigde.

De erfopvolgers van Tretjak en de zijnen spelen vrijwel allemaal - zeventien van de 23 - in de NHL. De Russische competitie, de één na sterkste ter wereld, wordt op haar beurt weer bevolkt door de minder begaafde spelers uit landen als Letland en Kazachstan. Bij de Spelen in Turijn komt het kwaliteitsverschil tot uiting in doelpunten en strafminuten. De Letten en Kazachen worden bij herhaling voor twee minuten van het ijs gestuurd.

De Russen scoren er alleen in de tweede wedstrijd lustig op los. Het eerste duel benutten ze zaterdag als opwarmertje, verklaart de Litouwse houwdegen Kasparaitis. Hij is geboren in een Baltische staat en weet dat de Letten de Russen meer haten dan de Kazachen, die dus op 'halve kracht' kunnen worden bestreden.