Het vrije Zuid-Korea vreest het noorden niet langer

Als we gezellig door het winkelhart van Seoul lopen, worden we opeens tegengehouden door een groep politiemannen. Er is een bom uit de Koreaanse oorlog (1950-1953) gevonden bij de werkzaamheden aan de herbestrating van een voetpad.

Naast ons staat een oude man. Hij vertelt aan zijn buurman hoe hij ruim vijftig jaar geleden de vliegtuigen heeft zien overkomen en hoe hij de bommen uit de lucht zag vallen. 'Pya, Pya' doet hij het geluid van de bommen na. Vooral oudere mannen zijn blijven staan bij de bom, waar inmiddels de explosievenopruimingsdienst bij is gekomen.

Wie voor het eerst in de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoul komt, merkt aan alles de nabijheid van Noord-Korea. Seoul ligt op nog geen dag rijden van de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang en op maar zeventig kilometer van de grens met Noord-Korea. Op borden aan de rand van de kronkelweg die langs de hoge bergen aan de noordzijde van het centrum van Seoul lopen, staat dat voorbijgangers niet mogen fotograferen. Ook staat er dat een deel van de bergen onder geen beding betreden mag worden.

Al snel wordt duidelijk waarom. Overal zitten zwaarbewapende militairen met camouflagekleding in schuttersputjes, klaar om de stad te verdedigen tegen een mogelijke Noord-Koreaanse aanval.

De sfeer in de stad doet nog het meest denken aan het vroegere West-Berlijn. Iedereen is druk bezig om zo snel mogelijk zo veel mogelijk nieuwe welvaart voor zichzelf en voor het land te scheppen. De inwoners staan er zo op het eerste gezicht nauwelijks meer bij stil dat Noord-Korea op een kwade dag Seoul zou kunnen binnenvallen.

Dat is al heel lang niet gebeurd, en ondertussen is Noord-Korea er alleen maar armer en zwakker op geworden, zo lijkt de redenering. Het doemscenario van sommige analisten, waarbij Seoul door een Noord-Koreaanse verrassingsaanval binnen 24 uur verandert in een vuurzee, lijkt niet iets waar veel Zuid-Koreanen zich dagelijks beklemd door voelen.

Misschien komt de beleving van de Noord-Koreaanse dreiging een beetje overeen met die van een woonplaats in een regio waar veel aardbevingen voorkomen: je moet je er zo goed mogelijk op voorbereiden door aardbevingsbestendige gebouwen neer te zetten, maar je kunt je dagelijks leven er niet door laten leiden. Dan heb je geen leven meer.

Misschien dat de Amerikaanse militairen die met 7.000 man zijn gelegerd op de basis Yongsan in het hart van Seoul de dreiging veel duidelijker voelen? 'Nee hoor, helemaal niet. Ook zonder onze aanwezigheid zouden de Zuid-Koreanen het hier best redden. Er gebeurt al jaren niets, dus zo nodig zijn we hier niet', stelt een rossige militair uit Ohio die Amerikaanse dollars uit de geldautomaat op het legerkamp trekt.

Het leven op de basis heeft iets weg van dat in een Amerikaanse provinciestad. Alleen hebben de wegen namen als Artillery Drive en Medical Avenue en zijn er opvallend veel jonge Zuid-Koreaanse vrouwen te vinden. De militaire basis wordt ook streng beveiligd. Buitenstaanders komen er niet zomaar op, hoe graag veel Koreanen ook zouden winkelen in de enorme Amerikaanse supermarkt. De rijst is er namelijk veel goedkoper dan die op de door hoge tariefmuren omgeven Koreaanse rijstmarkt.

Voor mij, gewend als ik ben aan China, voelt Korea toch een beetje als de 'vrije wereld'. Niemand stoort me als ik mensen op straat wil interviewen, de politie en de militairen schelden me niet uit als ik te dicht bij de zwaarbewaakte Amerikaanse ambassade kom, ze vragen me alleen vriendelijk om door te lopen.

Hoe anders was de sfeer in Noord-Korea. Ik herinner me hoe ik jaren geleden aan de Noord-Koreaanse kant van de grens de Zuid-Koreaanse militairen kon zien staan. Zuid-Koreanen werden door de clowns van het Noord-Koreaanse circus voorgesteld als laffe handlangers van de Amerikanen. Ik kon mijn vragen alleen aan de altijd als duo opererende gidsen van het staatsreisbureau stellen. De inwoners van Pyongyang keken dwars door me heen, ze durfden gewoon niet te zien dat er een buitenlander op straat liep.

En ja, als ik terugdenk aan de ingevallen gezichten, de van elektriciteit verstoken woonwijken en de brede wegen in Noord-Korea waarop alleen militaire voertuigen reden, dan kan ik me ook wel een beetje voorstellen dat de Zuid-Koreanen met al hun nieuwe kracht, zelfverzekerdheid en welvaart maar moeilijk kunnen geloven dat Noord-Korea hen nu nog onder de voet zou kunnen lopen.