Geweld kost Irak zes miljard

Aanslagen door rebellen op de Iraakse olie-industrie hebben het land vorig jaar meer dan 6 miljard dollar gekost. Dat heeft het Iraakse ministerie van Olie gisteren bekendgemaakt. Het dagelijks geweld in Irak kostte vanochtend zeker 26 mensen het leven.

Volgens een woordvoerder van het ministerie van Olie werden vorig jaar in totaal 186 aanslagen gepleegd op oliepijpleidingen en andere faciliteiten. Daarbij werden 47 technici en 91 politiemannen en andere bewakers gedood. De economische schade bedraagt 6,25 miljard dollar aan gemiste inkomsten en materiële schade.

De meeste aanslagen hadden plaats in het noorden van het land, waar olie in de buurt van Kirkuk wordt gewonnen en door pijpleidingen naar de Turkse haven Ceyhan gepompt. Irak exporteert op het ogenblik maximaal 1,7 miljoen vaten per dag, ruim onder de productie voor de Amerikaans-Britse invasie in maart 2003 een eind maakte aan het bewind van Saddam Hussein.

Bij een zelfmoordaanslag in een minibus een overwegend shi'itische wijk in Bagdad werden vanochtend twaalf mensen gedood. Er vielen 15 gewonden, aldus de politie. Eerder op de dag werden zeker vier mensen gedood toen een bom ontplofte bij een theestalletje bij het Bevrijdingsplein in Bagdad. De slachtoffers waren dagloners die op het plein op werk wachtten.

In de noordelijke stad Mosul werden zeker vijf mensen gedood toen een zelfmoordterrorist zich opblies in een restaurant dat voor het ontbijt vol zat met politieagenten. Meer dan 20 mensen werden gewond. Bij Nabai, 50 kilometer ten noorden van Bagdad, werden vijf vrachtwagenchauffeurs gedood bij een aanval op hun konvooi. Deze werd uitgevoerd door met raketten en automatische geweren gewapende mannen die in 15 voertuigen waren komen aanrijden.