Een hartbrekende bloem van begeerte

Sommige tijden, roerige tijden, maken je nieuwsgierig naar de toekomst. In je eigen leven kan zich dat voordoen: waar zou ik over een jaar zijn, hoe leven we over tien jaar, wíe leeft er nog over tien jaar. Maar ook meer in het groot: hoe ziet de wereld eruit over tien jaar? Zelfs keek ik laatst naar buiten en vroeg me af: hoe ziet het er hier uit over duizend jaar?

Als je in grote tijdsafstanden denkt, te grote om te bevatten, denk je vanzelf ook aan het verleden, in de hoop dat dat houvast biedt. Nederland duizend jaar geleden. Hoe ver weg is dat. In die wereld heerste bijgeloof, horigheid, stank, de stilte voor Bach en wonderschone gezangen in de kloosters. We hebben er zo goed als niets meer van over, geen huizen, geen kerken, vrijwel geen handschriften buiten de Wachtendonckse psalmen - die wereld is meer verdwenen dan de Romeinse of zelfs de Griekse. Merkwaardig.

Doordat ik een meeslepend boek las over de historische mogelijkheid van Helena van Troje, begaf ik me juist in tijden nóg verder weg. De mooie Helena, koningin van Sparta, was een vrouw uit de late bronstijd, een tijd die je je makkelijk als krankzinnig primitief voorstelt, en voor de lage landen is dat ook wel terecht. Maar uit de Griekse paleizen van Mykene en Tiryns zijn heel veel verfijnde spulletjes gekomen, sierlijke parfumflesjes, geslepen bronzen spiegels met mooi bewerkte handvatten, zegelringen met uiterst verfijnde voorstellingen, ja zelfs dolken en zwaarden die zo kunstig en elegant zijn ingelegd dat je er wel elke dag naar zou willen kijken. De sieraden. De bewerkte gebruiksvoorwerpen, de kruiken, pannen en potten, allemaal even mooi. Het is steeds weer verbluffend om te zien, hoeveel versierlust de mensen altijd maar hadden, in alle tijden, altijd bezig met schilderingen, opschik, graveringen. Of je de vitaliteit zelf recht in de ogen kijkt.

Ik sprak Bettany Hughes, de schrijfster van het Helena-boek, een enthousiaste historica die zich in talloze aspecten van de bronstijd verdiept had en alle ruïnes was afgereisd, kleitabletten met Hittietisch spijkerschrift in handen had gehad, skeletten met de sieraden nog om had gezien, in een strijdwagen had gereden om te voelen hoe het voelde daar bij Troje, en vroeg haar of de bronstijd voor haar nu een enigszins begrijpelijke wereld was geworden, als een land dat je vaak hebt bezocht.

Dat vond ze nog niet zo makkelijk om te zeggen, het is zo ver weg, de 13de, 12de eeuw voor het begin van onze jaartelling. Die tijd bleef haar in allerlei opzichten volstrekt vreemd. Maar, zei ze, er is ook ergens op de Peloponnesos een skelet opgegraven van een jong vrouw met haar baby, en die vrouw houdt de hand van het kind vast. Ze wilde niemand gaan vertellen wat dat betekende, zei ze, want historici zijn professioneel voorzichtig, maar ze herkénde het wel. En ook noemde ze een passage uit de Ilias - wel alweer later (800 v.Chr.) maar toch ook nog ondenkbaar lang geleden, waarin een krijger geraakt dreigt te worden door een pijl die door Athene wordt afgebogen 'zoals een moeder een vlieg van de wang van een kind veegt' citeerde ze, en dát ja, dat kon ze als moeder heel goed navoelen.

Zo gaat het steeds met het verleden. Je kijkt naar wat je herkent - en dan is er altijd verrassend veel menselijks dat nog steeds raakt. Wat Aischylos schrijft over hoe de beeldschone prinses Helena naar Troje kwam, hoe dat voelde: 'Aanvankelijk kwam naar Trojes stad/ het gevoel, zou ik zeggen,/ van windstille zee,/ het vredige beeld van weelde,/ een zachte pijl in het oog,/ een hartbrekende bloem van begeerte.' Het ligt waarschijnlijk ook aan de vertaling (van Gerard Koolschijn) maar het is van een adembenemende schoonheid waardoor eeuwen en afstanden wegvallen. Of je leest het afscheid van Hektor en zijn vrouw Andromache voordat Hektor zijn laatste gevecht in gaat. Het verdriet van David om Jonathan. De dromen van Vergilius. De overwegingen over het geheugen en de tijd van Augustinus. Je ziet de versierde cycladische pannen uit de 15de eeuw v. Chr. De uiterst elegante oorbellen die van Helena geweest hadden kunnen zijn.

En zo reis je door het verleden, langs al die mensen, en je komt dichterbij en je mompelt instemmend met de middeleeuwer 'Mi lanct naar di, geselle myn' en je herkent ook de opgeruimde meisjesgezichten op de foto's van Breitner en ieder mens in alle tijden lijkt toegankelijk in zekere zin, iemand als wij, en voor het gemak vergeet je even dat alles anders was, en die mensen dus ook. En tóch duikt er steeds iets op dat te begrijpen is. Iets eeuwig menselijks.

Verwarrend is dat. Andere mensen maken een gebaar van tederheid of rouw en je voelt volkomen met ze mee, ze borduren een stof en je wilt dat ook kunnen, ze maken eten klaar dat je meteen heerlijk vindt - en tóch begrijp je ze niet. Heel veel van ze niet. En reageer je dus verkeerd, maar dat kan niet anders, want de goede reactie bestaat niet, niet voor jou als buitenstaander. En buitenstaander ben je altijd, als je naar het verleden kijkt, naar de toekomst, en ook naar het heden van een andere cultuur met een ander verleden.

Steeds maar heen en weer springen tussen vreemdheid en herkenning, dat is het enige wat erop zit. Het is ingewikkeld maar het is ook een enorme rijkdom. We kunnen naar Italië met vakantie, maar we kunnen ook naar de Mykeense bronstijd, naar de dertiende-eeuwse hofcultuur, naar het Grote Hittietische rijk. We kunnen erover lezen, de sporen zien, ons verwonderen en verheugen om wat wij altijd zijn en zullen blijven: menselijk, herkenbaar en volkomen onbegrijpelijk.