Dansen

Al die Jostiband-achtige initiatieven rond verstandelijk gehandicapten hebben mij nooit erg aangesproken. Er heerst bij de toeschouwers altijd net iets te veel krampachtige opluchting en vertedering over het gebodene.

Met enige aarzeling ging ik gistermiddag dan ook naar Theater Kikker in Utrecht, waar elf jonge verstandelijk gehandicapten met elf niet-gehandicapten een uurtje bewegingstheater zouden opvoeren. Dit op initiatief van de K.L. Poll-stichting voor Onderwijs, Kunst en Wetenschap die voor dit project samenwerkte met het Dario Fo College in Poeldijk, een instelling voor onder meer culturele educatie.

De deelnemers waren 's morgens al per bus gezamenlijk naar het theater gekomen om te repeteren. Een echt professioneel theater met een royaal podium - dat waren de meesten niet gewend. 'Vier winden - horen, zien, voelen en praten', heet hun project, dat geleid wordt door Charles Renoult, een beoefenaar van het pencak silat, een Indonesische gevechtskunst met een theatrale inslag.

Renoult bleek het nodige van zijn discipline in de voorstelling te hebben ondergebracht, maar hij had het verder toch zoveel mogelijk aan de deelnemers overgelaten. 'De voorstelling is vooral vanuit de improvisatie gegroeid, ze mochten er hun eigen ervaringen in verwerken. Ik gebruik theater om mensen hun eigen kracht te laten ontdekken.'

In Poeldijk speelde het gezelschap een soort thuiswedstrijden voor uitverkochte zalen, maar 'Utrecht' was een stap in diep water. Er was weinig publiek en een theater dat nog verkend moest worden. Beginnen maar!

Voordat we in de zaal goed en wel beseften wat er gebeurde, sprongen en dansten er in strakke patronen allerlei jonge mensen over het toneel, begeleid door levende gamelanmuziek of pittige popmuziek. In het begin probeerde je als toeschouwer nog te ontdekken waar de gehandicapten liepen, en waar de niet-gehandicapten, maar dat leerde je al snel af, want de samenwerking was zó goed dat het niet meer uitmaakte wie wie was. Het was belangrijker om je te concentreren op de symbolen die op dat podium werden uitgebeeld.

Dat betekende niet dat je naar een vlekkeloze voorstelling zat te kijken. Er waren momenten waarop sommige gehandicapten even met hun gedachten leken af te dwalen. Dan keken ze een beetje meewarig naar de anderen. Wat moesten ze nou ook weer doen? O ja, liggen, of uitstappen, nou, dat deden ze dan maar, al was er eerst nog dat pluisje dat van de trui moest worden geplukt.

Misschien waren dat wel de mooiste momenten - juist omdat ze lieten zien met hoeveel geduld en toewijding zo'n voorstelling moet zijn gemaakt. Renoult werkte er vier maanden lang een dag per week aan. 'Ze vonden het prettig dat er normaal met ze gepraat werd', zei hij, 'ze worden vaak betutteld.'

Na afloop troffen we in de foyer nog even Theo, een van de verstandelijk gehandicapte deelnemers. Hij zat naast de organisatrice, Livia Verstegen, een groot glas cola in twee teugen leeg te drinken. Hij had een enorme dorst gekregen van die warme lampen, zei hij. Maar verder was hij wel tevreden. Wij ook.