Bianco

Leven als ambacht. Het is de sobere vertaling van de titel van het dagboek van de Piemontese schrijver Cesare Pavese (1908-1950). Afgelopen vrijdag reed ik langs Hotel Roma in hartje Turijn, op steenworpafstand van het station. In een kamer van dat hotel maakte Pavese een einde aan zijn leven en zijn werk.

Een dag later zat ik bij de 1.000 meter heren naast mevrouw Bos. Haar ambacht: moeder zijn voor haar zonen. Ze zat met het rittenschema op schoot en schreef met balpen de tijden mee van de belangrijkste concurrenten van haar zoon Jan. Ik vroeg of ze hem nog had gesproken. Nee. Al een paar dagen niet. Jan had zich afgezonderd in zijn hotel.

Schaatsen als ambacht. Mevrouw Bos had haar zoon maar een sms gestuurd. 'Succes.' Lijkt mij de beste tekst die een moeder op zo'n moment kan schrijven.

Jan Bos kwam vanuit de catacomben van het stadion het middenterrein opgelopen. Hij had een wit petje op en dribbelde een rondje. Daarna ging hij zitten op een stoel. Terwijl Jan minutenlang zijn dijen losschudde, tuurde hij naar de tribune. Hij zag zijn broer Theo en zijn ouders. Jan stak zijn vinger op. Voor het eerst sinds twee dagen, na het sms'je, hadden ze even contact.

Jan Bos schaatste pas in het laatste paar. Tijdens de dweilpauze liep ik naar de toiletten onder de tribune. Er stond een flinke rij. Niemand zei iets. Vijf mannen aan het urinoir, vijf wachtende mannen erachter. Afgezien van het gekletter en doortrekken was het stil. Een Nederlander met een oranje klomp op zijn hoofd trok zijn mond toch maar eens open. 'Het riool maakt hier overuren.'

Weer terug op de tribune viel me op dat de sprinters alleen willen zijn voor de wedstrijd. Iedereen mijdt elkaar. Wennemars praat niet met Bos, Bos niet met Wennemars. Cheek niet met Hedrick, Hedrick niet met Lee. En Lee niet met Bos.

De races volgden elkaar snel op. Ik kreeg niet veel tijd zenuwachtig te worden. Daar was Jan Bos. Wennemars passeerde hem in de laatste bocht en pakte het brons. Jan Bos baalde zichtbaar; hij was voor goud gekomen. Mevrouw Bos zat naast me op haar stoeltje. Vijf rijen lager verwerkte haar man de ellende. Mevrouw Bos keek naar de rondetijden van Jan die ze op de startlijst had gekrabbeld. Onrustige cijfers die alle kanten opslingerden. Geen handschrift voor een winnaar.

Ik keek naar Jan Bos op het middenterrein, temidden van duizenden supporters. Wit gezicht, onbereikbaar, verdrietig.

Een halfuur na de race belde moeder Bos buiten het stadion met haar zoon. Het gesprek duurde maar een paar minuten. Haar man vroeg na afloop wat Jan te melden had. 'Hij zei shit', zei mevrouw Bos. Lijkt me de beste tekst die een verliezende schaatser tegen zijn moeder kan uitspreken. Jan sloot zich weer op in zijn kamer. Hij wilde even geen mensen om zich heen.

Zaterdagavond reed ik nog een keer langs Hotel Roma. In de lobby zaten een paar mannen aan een drankje. Onder de arcaden van de Via Roma liepen duizenden mensen vrolijk rond. Turijn vierde de witte nacht. Fare in bianco betekent zoveel als 'een nachtje overslaan', je bed niet zien.

Een mensenmassa is niet plezierig als je je slecht voelt. Het maakt het gemoed alleen maar zwaarder. Je wilt je verstoppen, oplossen in het niets. Blanco, bianco.

Voor hij op 18 augustus 1950, moe van het leven, in Hotel Roma zelfmoord pleegde, schreef Pavese zijn laatste woorden: 'Dit is allemaal weerzinwekkend. Geen woorden. Een gebaar. Ik schrijf niet meer.'

Zo'n vaart zal het niet lopen met Jan Bos. Hij leidt een leven op schaatsen. Dat is echt iets anders dan een leven als ambacht.